Ons wanhopig verlangen naar betekenis

Cabaretier Micha Wertheim legt uit waarom de Vlaamse Compagnie de Koe zijn favoriete theatergroep is. „Drie keer was ik na afloop diep gelukkig dat ik hen heb leren kennen.”
De strak geregisseerde chaos in HelloGoodbye van Cie de Koe. Foto Koen Broos

Acht acteurs staan op het podium, klaar om aan de voorstelling HelloGoodbye te beginnen, als plotseling de stroom uitvalt. Even is er paniek. Alles lijkt te mislukken nog voor ze goed en wel begonnen zijn.

Soms lees je een boek dat zo goed is, dat je bij het dichtslaan besluit alles van de schrijver te gaan lezen. Of het daar ooit van komt is een tweede, maar de gedachte dat het oeuvre bestaat maakt het leven een beetje draaglijker. Een soortgelijke ervaring had ik toen ik anderhalf jaar geleden kennismaakte met het Vlaamse gezelschap Compagnie de Koe.

Peter Van den Eede, Natali Broods en de Nederlander Willem de Wolf speelden die avond de voorstelling Beckett Boulevard. De drie makers, die samen de vaste kern vormen van wat inmiddels mijn favoriete theatergezelschap is, begonnen ook die voorstelling met een mislukking. Samen probeerden ze het publiek te vertellen hoe ze zelf de weg kwijt waren geraakt in een parkeergarage. Maar hoe dieper ze afdaalden in hun herinnering hoe meer hun verhalen uiteenliepen.

Toch zat de kracht van dat eerste kwartier niet in de theoretische constatering dat een goed verhaal zich kenmerkt door het vermogen erin te verdwalen. De kracht zat hem in de magistrale uitvoering. De verbale en fysieke slapstick waarmee de spelers elkaar, zichzelf, en het publiek steeds meer in de weg zaten. Als ik na afloop de theatertekst niet gelezen had, zou ik gezworen hebben dat het allemaal improvisatie was.

Die openingsscène deed niet alleen recht aan de ambitieuze verwijzing naar Beckett, maar kon zich net zo makkelijk meten met de legendarische aflevering van Seinfeld waarin de cast verdwaalt in een parkeergarage. Waarbij de charmante Van den Eede en de klungelige De Wolf het magnetische charisma van Michael Richards (Kramer) evenaarden. Terwijl Broods zich met haar achteloze souplesse en haast nonchalante intelligentie moeiteloos kon meten met het komische talent van Julia Louis-Dreyfus (Elaine).

Bij de tweede scène hield ik op met vergelijken. Want waar ze bij Seinfeld een aflevering lang niet uit de garage kwamen en ook Beckett ons moeiteloos een avond lang in een scène vast kan houden, bleef het universum van Compagnie de Koe steeds verder uitdijen. Bij iedere nieuwe scène raakten ze verder verstrikt in hun poging samen te vallen met de tekst en de personages die ze spelen. Als Van den Eede bijvoorbeeld een ober speelt in een restaurant waar de andere acteurs wat eten, herkennen ze hem als de acteur Van den Eede. Die raakt vervolgens gepikeerd over het feit dat ze niet zien dat hij een ober speelt en niet zichzelf. Waarna het misverstand ontstaat dat hij nu ober is, omdat zijn carrière als acteur mislukt zou zijn.

Op een gegeven moment zaten de acteurs, samen met het publiek, te kijken naar een talkshow waarin ze zelf tevergeefs onder woorden probeerden te brengen waar de voorstelling die ze speelden over ging. Een droste-effect dat in de rest van de voorstelling steeds op een nieuwe manier werd doorgevoerd.

Toch werd Beckett Boulevard nooit een klucht, of een academische exercitie. In tegendeel, de zorgvuldigheid van het spel en de tekst waarin de acteurs oprecht probeerden authentiek samen te vallen met de scène deed in hun schoonheid denken aan klassieke filmscènes waarin Groucho Marx, Buster Keaton of Charlie Chaplin ruzie krijgen met hun eigen spiegelbeeld.

Tegen het einde van de voorstelling ontaardde een discussie over de vraag wat ethisch is in een discussie over de betekenis van discomuziek uit de eighties. Toch voelde ook dat misverstand geen moment als een ironische woordspeling. Het was eerder een illustratie van het feit dat werkelijke betekenis verstopt zit in de meest basale misverstanden.

Foto Koen Broos

Beckett Boulevard ging over de vraag of een acteur authentiek kan zijn, en daarmee over de vraag of een politiek geëngageerde voorstelling geloofwaardig kan zijn. Voor alles ging het over ons wanhopige verlangen om die vragen bevestigend te kunnen beantwoorden. Over het verlangen om in de spiegel die het theater is iets van betekenis te kunnen vinden waar we ons buiten het theater aan vast kunnen houden.

Innemend en ontroerend

Op die vraag kreeg ik antwoord in In Koor!, de tweede voorstelling van De Koe die ik zag. Het vaste gezelschap van acteurs was ditmaal nergens te bekennen. Bij binnenkomst in de zaal zagen we een grote groep in leeftijd sterk variërende mensen koffie drinken, praten en stoelen klaarzetten. Het blijkt te gaan om de leden van een zangkoor dat op het punt staat hun repetitie te beginnen. De keuze om de menselijke onhandigheid die voorafgaat aan het zingen onderdeel uit te laten maken van de voorstelling werkte meteen innemend en ontroerend.

Wat even lijkt op een openbare repetitie blijkt al snel een minutieus gechoreografeerde voorstelling te zijn. Terwijl de koormuziek van Bach en Knut Nystedt word ingestudeerd, maken individuele zangers zich om beurten los van de groep, om in beweging en taal iets over zichzelf te vertellen. Al die persoonlijke scènes blijken vervolgens onderdeel te zijn van een veel langer gedicht dat zich gedurende de repetitie ontvouwt.

Als aan het eind van de voorstelling het koor al zingend en neuriënd de zaal verlaten heeft om even later als één groep demonstranten het podium weer op te komen, wordt het gedicht in zijn geheel nog een keer gedeclameerd.

Waar Beckett Boulevard de vraag opriep hoe we steun kunnen halen uit het misverstand dat we kunst noemen, wordt in In Koor! op die vraag een antwoord geformuleerd. Iedereen die een koor heeft horen zingen, kan niet anders dan onderkennen dat er zoiets bestaat als beschaving. En daarmee was In Koor!, zonder een politieke richting aan te wijzen, een van de meest overtuigende voorstellingen die ik zag over het belang van kunst en de onvermijdelijkheid van engagement.

En nu speelt Compagnie de Koe dus HelloGoodbye. Als het licht na de stroomstoring aan het begin van de voorstelling weer aangaat en de acteurs hun plek weer gevonden hebben, blijken wij, het publiek en de acteurs, te gast te zijn op het afscheidsfeest van een districtsvoorzitter. De vaste cast is weer van de partij, ditmaal aangevuld met vijf even behendige acteurs. Samen spelen ze een veelvoud aan gasten die op het punt staan aan te komen of net weggaan. Opnieuw blijkt alles een strak geregisseerde chaos waarin de acteurs virtuoos maar zonder pathos struikelen over iedere poging een coherent verhaal te vertellen.

Het feest zelf lijkt maar niet plaats te vinden. Of eigenlijk lijkt er steeds een ander feest net te beginnen en te eindigen. Want na verloop van tijd trekken alle acteurs het jasje van de districtsvoorzitter aan. Op hun website meldt het gezelschap dat ze voor de teksten vrij geciteerd hebben uit de (toneel)literatuur. Ik ben te weinig onderlegd om die citaten te herkennen. Toch voel je dat de makers zich ervan bewust zijn dat ze niets nieuws te melden hebben. Maar dat ze wel iets willen zeggen, iets wat het verdient om steeds opnieuw verteld te worden.

Het feest, zo veel lijkt duidelijk, staat symbool voor wat we de beschaving zouden kunnen noemen. Dit keer gaat de voorstelling over de onheilspellende gedachte dat ook aan onze beschaving een einde komt. Tegelijkertijd worden we getroost met de wetenschap dat ieder einde, hoe wreed ook, altijd een nieuw begin is geweest. De voorstelling doet daarin denken aan het Hooglied. De muziek van Vivaldi’s Vier Jaargetijden, die na iedere mislukking klinkt, versterkt het cyclische karakter van de voorstelling.

Net als het feest dat we nooit te zien krijgen, is onze beschaving een moment waar we alleen op terug kunnen kijken, of naar vooruit kunnen blikken. Ze is een herinnering aan, of een streven naar.

Dat maakt de voorstelling een inventieve satire op de statische manier waarop tegenwoordig over cultuur gesproken wordt. Of het nu de apocalyptische gedachte is dat onze beschaving in verval is, of de utopische misvatting dat er een beschaving mogelijk is waarin totale harmonie bestaat.

Dat alles wordt onderbouwd met het decor. Overal hangen jassen en jurken die gedurende de voorstelling door de acteurs aan en uit worden getrokken. Ze staan uitgesteld op een groot stuk parachute, dat deels dienstdoet als tent.

Het valt allemaal samen met wat theater ons volgens De Koe te bieden heeft. En dat is de suggestie van beschutting in de wetenschap dat we eigenlijk vallen en overgeleverd zijn aan de wind, die uiteindelijk het laatste woord heeft over waar we heen worden geslingerd.

Te vaak zit ik bij voorstellingen naar makers te kijken die mij uitleggen wat er mis is met de wereld. Compagnie de Koe gaat ervan uit dat het publiek dat allemaal zelf wel weet. Zij nodigen ons uit om samen met hen op zoek te gaan naar wat in die wetenschap het leven nog de moeite waard maakt. Een van de gasten op het feest weet dat tussen alle vermakelijke misverstanden in een toost ontroerend goed onder woorden te brengen:

„Ik wou graag de schoonheid danken, voor haar ondoorgrondelijkheid. Omdat die – ondanks dat we haar blijven besmetten, verkrachten en verwoesten – ons blijft verleiden, overweldigen en bedwelmen. De schoonheid die ondoorgrondelijker dan onze machteloosheid, ons onvermoeibaar de eeuwigheid blijft aanbieden, ook al zullen we nooit weten hoe haar te benaderen. En ook de liefde wil ik bedanken want zonder de liefde zouden we de verloren strijd met de schoonheid niet aankunnen.”

Compagnie de Koe voert die strijd al bijna dertig jaar. Drie keer was ik na afloop diep gelukkig dat ik hen heb leren kennen. Drie keer was de zaal lang niet uitverkocht. De komende weken spelen ze in Nederland. Er zullen ongetwijfeld nog kaarten zijn.

Cie de Koe: HelloGoodbye. Tournee t/m 17 febr. Inl: dekoe.be
    • Micha Wertheim