Handleiding: hoe te houden van het strijkkwartet

Op de eerste Strijkkwartetbiënnale spelen 24 kwartetten honderd stukken in vijftig concerten. Wat maakt het strijkkwartet zo bijzonder?

Vier verwante strijkinstrumenten in lage, hoge en gemiddelde stemming. Zestien snaren, met een gezamenlijk bereik van ruim vijf octaven. Gemoedsverhittende cijfers? Och. Maar voor de klinkende werkelijkheid geldt het omgekeerde. Haydn, Beethoven, Schubert, Sjostakovitsj: niet voor niets bewaarden veel componisten hun diepste, intiemste en beste hersenspinsels en zielenroerselen voor hun strijkkwartetten.

Het strijkkwartet wordt door velen dan ook beschouwd als het nec plus ultra van de instrumentale klassieke muziek. Twee violen, altviool en cello stellen hun individualiteit ten dienste aan een microcollectief en vormen gevieren een soort miniorkest in (als het goed is) volmaakte klankbalans. Met één bovenstem (de eerste violist ofwel ‘primarius’), twee wendbare tussenlagen en een bas-fundament (cello) kun je in wezen immers alles zeggen. En juist zo’n pure vorm nodigt uit tot pure inhoud – of dat nu ernst, verdriet, sarcasme of blijdschap betreft.

Ook voor de luisteraar is het strijkkwartet een dankbaar en in potentie intens bevredigend genre. Kamermuziekzalen zijn kleiner, huiselijker en intiemer dan grote concertzalen. Met, zegge, driehonderd anderen worden opgetild door een geconcentreerde kwartetuitvoering is mede daardoor een bedwelmende ervaring.

Of dat dan de swing van Dvoráks Amerikaanse kwartet betreft, de filmische melancholie van Schuberts Strijkkwartet D887 of de bijtende aanklacht van het Allegretto uit Sjostakovitsj’ Achtste strijkkwartet met zijn zweepslagen, zielkervende D-Es-C-H-motief (de naam van de componist in noten vertaald) en beruchte horrordansje, doet niet ter zake. Je beseft steeds: wat een wonder van menselijk vernuft en beschaving dat het zonder versterking, blazers, piano of stemmen en met slechts vier strijkers mogelijk is het volle spectrum aan menselijke emoties tot uitdrukking te brengen.

Als genre bestaat het strijkkwartet ongeveer 250 jaar. Het begon als medium om vier amateurspelers een aangename avond te bezorgen, maar ontgroeide die huismuzikale wortels snel. En ook nu nog is het strijkkwartet een vorm waarin componisten graag componeren, wetende: in die bezetting laat ik het achterste van mijn tong zien. Geen opsmuk om ideeënarmoe achter te verschuilen, alleen maar uitgebeende essentie. En zoals een gefluisterde liefdes- of haatverklaring doorgaans meer indruk maakt dan eentje per megafoon, zo ook ontleent het strijkkwartet zijn slagkracht aan zijn minimale middelen en de maximale zeggingskracht die daarvan uitgaat. Less is more.

Strijkkwartetbiënnale: 27/1 t/m 3/2, Muziekgebouw aan ’t IJ Amsterdam. Inl: www.sqba.nl

Het strijkkwartet in film en literatuur

Strijkkwartetten spreken breed tot de verbeelding, niet alleen tot die van componisten. Als zoveel huwelijken stranden, hoe houdt dan in vredesnaam een viertal het vol in een verband dat decennialang intensief samenzijn vereist, en waarbij de van nature wringende individuele en collectieve belangen in harmonieuze balans dienen te zijn?

In de liefdesroman An Equal Music van Vikram Seth is de mannelijke protagonist tweede violist in een kwartet. En ook in de Nederlandse literatuur figureert het strijkkwartet opvallend vaak. In 2016 verscheen Christiaan Weijts’ Het valse seizoen (2016), waarin een van de hoofdpersonages in een kwartet speelt, en waarvan de structuur is gebaseerd op Janáceks Strijkkwartet Intieme brieven. Ook in Margriet de Moors Kreutzersonate speelt Janácek een sleutelrol, maar dan diens gelijknamige strijkkwartet (Kreutzersonate). In Kwartet van Anna Enquist is het samenspel in een kwartet voor vier amateurs een troostrijk baken – en dat loopt natuurlijk slecht af. In de vergeten roman Het kwartet van Henk Romijn Meijer loopt een studentenstrijkkwartet in het Amsterdam van de jaren vijftig stuk op levenswegen die andere richtingen uitgaan. Sanne Terlouw schreef met Het Strijkkwartet de minst zware Nederlandse strijkkwartetroman, al loopt het ook hier slecht af met de onderlinge betrekkingen én is er sprake van een onhandige liefde.

Films zijn schaarser. In soundtracks tref je kwartetten vaak genoeg aan (bijvoorbeeld Schuberts D887, als omineuze begeleiding van snode plannen in Woody Allens Crimes and Misdemeanors). Beethovens opus 131 speelt een hoofdrol in de film A Late Quartet (2012) van regisseur Yaron Zilberman, met o.a. Philip Seymour Hoffman (tweede viool), Catherine Keener (altviool) en Christopher Walken (cello). Opvallend: ook topacteurs als zij weten niet geloofwaardig te simuleren dat ze echt een strijkinstrument bespelen.

De beste kwartetten

Er zijn talloze kwartetten – van Haydn tot heden, van wereldberoemd tot aanstormend. In Amsterdam bestaat zelfs een speciale opleiding voor strijkkwartetten, de Nederlandse Strijkkwartet Academie.

Op de eerste Amsterdamse Strijkkwartetbiënnale spelen komende week 24 kwartetten, van internationaal en wereldberoemd (Hagen, Emerson) tot Nederlands en/of aanstormend. Maar wat zijn nou de beste?

Een representatieve, discussievrije lijst bestaat niet. Hoe oude kwartetten klinken weten we niet, en zijn er wel opnames voorhanden, dan regeert smaak. Houd je van een totaalklank die wordt gedomineerd door de eerste viool (Cuarteto Quiroga) – of juist niet? Wat als een kwartet een primarius heeft over wie de meningen verdeeld zijn (Takacs)? En dan zijn er specialistische kwartetten, zoals het op oude instrumenten spelende Quatuor Mosaiques of in nieuwe muziek excellerende kwartetten als het Arditti (serieus) of het lichtere, meer (ook) op cross-overs gerichte Kronos en Brodsky.

Maar natuurlijk zijn er wel kwartetten die op geen favorietenlijst mogen ontbreken. De „huwelijksdata” verduidelijken dat langdurig samenspel – veel kwartetten zijn decennialang samen, al wisselt de bezetting soms – de kwaliteit positief beïnvloedt.

Chronologisch: het Vegh Kwartet (1940 – 1980), Quartetto Italiano (1945-1980), Borodin Kwartet (1945-heden), Juilliard Kwartet (1946-heden), Amadeus Kwartet (1947-1987), Tokyo Kwartet (1969-2013), Alban Berg Kwartet (1970-2008), Emerson Kwartet (1976-heden), Takács Kwartet (1975-heden), Hagen Kwartet (1981-heden), Artemis Kwartet (1989-heden), Quattuor Danel (1991-heden), Belcea Kwartet (1994-heden), Jerusalem Kwartet (1996-heden), Cuarteto Casals (1997-heden), Quattuor Ébène (1999-heden) en Cuarteto Quiroga.

En zo rijen voort. Goede (deels) Nederlandse kwartetten zijn er met dank aan de academie ook, zoals o.a. het Navarra, het Dudok en het piepjonge Animato.

Het repertoire: flitstour

Strijkkwartetten zijn er van Haydn (1732-1809) tot heden, dus waar te beginnen? Gewoon bij het begin en dus bij iets klassieks: dat wekt het röntgenoor voor de schoonheid van de instrumentcombinatie. Kies bijvoorbeeld Haydns fijn getekende opus 20, nr.3, gevolgd door Mozarts Dissonantenkwartet. Dat maakt duidelijk wat wordt bedoeld als de „pure, rauwe eerlijkheid” van het strijkkwartet wordt geroemd. (En beluister daarna vooral ook Mozarts tedere, elegante Strijkkwartet in d-klein KV421.)

Beethoven tilde de klassieke stijl tot en over de grens van het voordien voorzienbare. Zijn laatste strijkkwartetten zijn van een onbeschrijflijke diepgang en eigenheid. Neem het stoutmoedig 7-delige opus 131. Beethoven realiseert er binnen een hyperorigineel kader momenten van adembenemende schoonheid.

Schuberts laatste Strijkkwartet in G-groot D887 – een juwelenkistje vol spanning, lyriek en kwetsbare melancholie – mag ook niet worden overgeslagen.

Maar de hele Romantiek is een schatkamer, in talrijke (nationale) stijlen. Om er zomaar wat te kiezen: uit Duitsland is Mendelssohns Nr. 6 (op.80) prachtig, of Brahms’ opus 51 nr.1 met zijn schuimende overdaad aan melodische invallen. Uit Rusland? Borodins Strijkkwartet nr. 2, waarvan het hyperromantische ‘Notturno’ niet voor niets in veel films is gebruikt (o.a. James Bond-film The Living Daylights). En eigenlijk moet Tsjaikovski’s opus 22 genoemd, omdat het zo zielkervend naar de opera Evgeny Onjegin vooruit lijkt te wijzen.

Een publieksfavoriet is Dvoráks Amerikaanse kwartet met zijn folkloristische invallen. Verdi’s enige Strijkkwartet is vol temperament en cantilenen. Ook Fauré schreef er opmerkelijk genoeg maar één, dat toch heel eigen is. Met het enige kwartet van Ravel, zowel aan Fauré als aan het eveneens prachtige enige kwartet van Debussy schatplichtig, zijn we de 20ste-eeuw in gerold, maar Ravels kwartet doet traditioneler aan. Als brug naar de 20ste eeuw is Janáceks tweede Strijkkwartet Intieme brieven (1928) een goede keuze (vol persoonlijke, emotionele uitersten).

Van Sjostakovitsj’ hoogst persoonlijke muzikale hartenkreten is het Achtste het bekendste én een van de allerzielkervendste (al hoewel je daarover kunt twisten). Ook vol pijn en onrecht: Schönbergs laat-romantische Tweede Strijkkwartet. Scherp kiezen maakt dat Britten (Nr.2) en de Lyrische suite van Berg onvermeld blijven, wat voor Bartoks Zesde strijkkwartet – verinnerlijkt monolithisch – niet mag gelden. Een moderne klassieker is Dutilleux’ Ainsi la Nuit, dat in 17 minuten alle denkbare mogelijkheden en stemmingen verkent. En er zijn nog talloze ijzersterke 20ste-eeuwse kwartetten, o.a. van Schulhoff, Ligeti (vlammend temperament), Carter, Lutoslawski of de recent weer wat meer populaire Bacewicz – een van de schaarse vrouwelijke kwartetcomponisten.

Van de recente kwartetten kunnen Kurtágs Moments musicaux for string quartet worden genoemd, de sfeervolle strijkkwartetten van Vasks, Reichs originele Different trains of Thomas Ades’ gewaagde Arcadiana. Georg Friedrich Haas wendt in zijn kwartetten de bezetting aan voor het oproepen een zeer eigen klankwereld.

Een selectie van voornoemde luistertips staat op Spotify als NRC Selectie: de mooiste strijkkwartetten van verleden tot heden.