Recensie

De waterheldere klank van Anderszewski

Het musiceren van de Poolse pianist Piotr Anderszewski doet wat denken aan beeldhouwen. Zoals Michelangelo de beelden uit het steen ‘bevrijdde’, zo maakt Anderszewski de noten los van de partituur. Zijn spel herbergt iets van de warme en mysterieuze glans van marmer. Met Anderszewski ook als dirigent vanachter de vleugel ontstaan er biologerende gesprekken tussen de piano en het orkest. Want beiden praten meer dan dat ze zingen, in de zin dat er geen noot onder tafel verdwijnt. In Anderszewski’s eigen cadens in Pianoconcert nr. 25 verschijnt plotseling de schaduw van Chopin ten tonele, een flard die herinnert aan diens Préludes. Een anachronisme dat past in een werk dat muzikaal al vooruit wees, met motieven die later zouden opduiken in Die Zauberflöte, Beethovens Vijfde Symfonie en de Marseillaise. In alles – ook in de melancholie van Mozarts laatste pianoconcert – regeert de waterheldere klank van Anderszewski.