De lucht is nog steeds niet schoon genoeg

Fijnstof Nog altijd sterven duizenden mensen in Nederland vroegtijdig door fijnstof. Goede Europese afspraken maken is het best.

Een milieuzone bij de Erasmusbrug in het centrum van Rotterdam. De regels rond milieuzones zijn te onduidelijk zeggen verschillende ondernemersorganisaties Foto Bart Maat/ANP

Ongeveer twaalfduizend mensen sterven in Nederland jaarlijks vroegtijdig door luchtvervuiling. Blootstelling aan fijnstof veroorzaakt ongeveer 4 procent van de ziektelast in Nederland. Voor roken is dat 13 procent, voor overgewicht 5 procent, en voor gebrek aan beweging 3 tot 4 procent. Geen wonder dat de Gezondheidsraad aandringt op maatregelen om de lucht schoner te maken, in een advies aan het kabinet dat dinsdag is verschenen.

De lucht is de afgelopen decennia veel schoner geworden; alleen op enkele hotspots, vooral in drukke steden, langs enkele snelwegen en in gebieden met veel veeteelt, worden de normen van de Europese Unie overschreden. Maar Nederland moet proberen, aldus de Gezondheidsraad, de normen te halen van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO). Die zijn strenger dan de Europese, met name voor fijnstof. Ook die normen zijn eigenlijk niet veilig, want „zelfs bij concentraties luchtverontreiniging onder die advieswaarden zijn nog effecten op de gezondheid van mensen waargenomen”.

De vraag is hoe dat bereikt kan worden. Veel vieze lucht komt uit het buitenland, vooral van de Europese industrie. Je zou dus Europese afspraken moeten maken. Daar zijn andere landen wellicht toe bereid, omdat ook daar de luchtkwaliteit te wensen overlaat, én omdat ook Nederland viezigheid exporteert. „De Nederlandse export van fijnstof is drie maal zo groot als de import”, meldde het RIVM ooit.

De meeste winst valt te boeken door landelijke maatregelen die de „deken” van met name fijnstof boven Nederland wegnemen. Dat betekent vooral het verminderen van de uitstoot door pluimvee, varkens en koeien, inclusief „strikte handhaving” van de mestregels. Buitenlandse veehouders kunnen vaker luchtwassers inzetten en mest sneller in de grond werken. Ook zinvol is het terugdringen van dieselmotoren, en het gebruik van roetfilters. Niet te onderschatten is verder het effect van het stoken van hout; een houtkachel moeten we minder vaak gebruiken, net als de barbecue en de vuurkorf.

Gemeenten zijn doorgaans graag bereid maatregelen te nemen, van het plaatsen van stofzuigers tegen fijnstof in Eindhoven tot milieuzones in grote steden, snelheidsbeperkingen, het bevoordelen van elektrische auto’s, het plaatsen van een „mosmuur” in Amsterdam en het aanwijzen van „houtstookvrije woonwijken”.

Over het effect van lokale maatregelen valt te twisten. Op langere termijn hebben ze een „bescheiden betekenis”, schreef het RIVM eerder, en bovendien kan een „eenzijdige focus” op hotspots „soms” leiden tot een verplaatsing van de uitstoot, „bijvoorbeeld als het verkeer wordt omgeleid waardoor per saldo de totale uitstoot in de stad toeneemt”.

Lokale maatregelen zijn vooral nuttig, schrijft de Gezondheidsraad, om kwetsbare bevolkingsgroepen te beschermen; mensen die er extra gevoelig voor zijn, zoals kinderen, ouderen en astmapatiënten. Je zou bij de ruimtelijke ordening met deze groepen rekening moeten houden, bijvoorbeeld door langs drukke wegen geen kinderdagverblijven, scholen en woonzorgcentra te bouwen.

Voor een echt grootse aanpak moet je bij Milieudefensie zijn; die pleit al jaren voor meer openbaar vervoer, ruimte voor fietsers en een stop op meer snelwegen; het beperken van megastallen; en een verbod op de komst van cruiseschepen.

Staatssecretaris Stientje van Veldhoven (Milieu, D66) komt eind dit jaar met een ‘nationaal actieprogramma luchtkwaliteit’.