Column

De laatste VSB

Vanavond zal de VSB Poëzieprijs (de bekroning voor de beste dichtbundel van het jaar) voor de laatste keer worden uitgereikt. Kunst is geen wedstrijd, maar deze prijs zette de poëzie ieder jaar geweldig in de schijnwerpers: de genomineerde dichters tourden langs theaters maar ook langs scholen, de media besteedden er aandacht aan en er verscheen een bloemlezing van alle ingezonden bundels, wat een soort top-40 jaaroverzicht vormde voor de dichtkunst. Er is geen andere prijs voor één dichtbundel die zoveel deed voor hedendaagse poëzie.

Er zijn vijf mooie bundels genomineerd en als ik het voor het zeggen zou hebben wordt vanavond Vonkt van Marije Langelaar als winnaar uitgeroepen, juist een bundel die het belang van poëzie aantoont: Vonkt is een geschiedenis van een relatiecrisis, verteld via verschillende gedichten. Er is een stel dat niet meer gelukkig met elkaar is, maar ze hebben een kind en proberen daarom bij elkaar te blijven. In prachtige regels beschrijft Langelaar de tragedie. De moeder van het gezin woont in een ‘doods dorp’ en zit haar tijd daar uit, „wachtend tot mijn kind de 18 was gepasseerd en ik/ dan snakkend naar adem van mijn man weg kon stappen.”

Dichter Ingmar Heytze geeft antwoord op de vraag die hij eigenlijk nooit krijgt over poëzie: Waarom zouden we het lezen?

Hierbij schuwt Langelaar de humor niet. De uitzichtloosheid van de situatie beschrijft ze in hilarische hyperbolen: „Ik wil racen, struikelen, schitteren/ en nu lig ik hier…Had ik maar een nek en een bijl en een schuur.” Waar sommigen misschien naar de fles zouden grijpen om aan de ellende te ontkomen, wordt in Vonkt de verbeelding ingezet om met de verdrietige omstandigheden om te gaan. De hoofdpersoon verandert in een haas, een stoel en een hert, haar vriend in een berg zand, en zolang alles maar transformeert, valt alles eigenlijk best mee.

Recensent Obe Alkema besprak de vier genomineerden voor de laatste VSB Poëzieprijs. Lees ook: Nieuwe woorden om in harmonie te komen

Er wordt, vooral onder dichters, nogal wat gediscussieerd over de vraag of poëzie nut heeft. Veel poëten verzetten zich tegen het idee dat poëzie kan troosten, omdat je dan een kunstvorm reduceert tot een tissue. Daar ben ik het mee eens, maar ik weet ook dit: ik deed Vonkt afgelopen jaar cadeau aan enkele vrienden die in een relatiecrisis zaten, en iedereen fleurde ervan op: ze herkenden zich in de beelden, en voelden zich gesterkt door de hoop die uit het werk spreekt. Door hoe Langelaar via fantasie, humor en taalspel het leed onder woorden bracht, konden zij gaan verwerken.

Geen enkele vorm van kunst kan je redden, maar ze kan je wel behoeden voor wanhoop. En bundels die daarin uitschieten verdienen een pluim.

Ellen Deckwitz schrijft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.