Opinie

Taartverdeling universiteiten kan eerlijker

Om de ongeremde groei op universiteiten tegen te gaan moet het bekostigingsmodel worden herzien, schrijft Martijn Janse.

Hoogleraren op weg naar de Domkerk tijdens de opening van het Academisch Jaar van de Universiteit Utrecht. Foto: Jeroen Jumelet / ANP

De afgelopen jaren zijn de Nederlanse universiteiten gegroeid als kool. Tussen 2012 en 2016 is het aantal ingeschreven studenten met iets meer dan tien procent toegenomen en deze stijging blijft tot op heden doorzetten, voor een groot deel ook door de instroom van steeds meer internationale studenten. Op het eerste oog lijkt dit een positieve ontwikkeling, maar het is belangrijk om uitgebreid stil te staan bij de motieven en gevolgen van deze explosieve groei, vooral nu discussies over marktwerking op de universiteiten en over projecten als de Yantai-campus in China op het scherpst van de snede gevoerd worden.

Om te begrijpen waarom de universiteiten aansturen op steeds meer studenten moeten we eerst kijken naar het bekostigingsmodel. Vanuit het ministerie van OCW ontvangen de universiteiten namelijk een afgemeten deel van het totale potje dat is gereserveerd voor universiteiten: hoe groter de universiteit, hoe groter de bijdrage vanuit het Rijk. Hier zit de crux: als een universiteit groeit ten opzichte van de andere universiteiten, krijgt de gegroeide universiteit een groter aandeel uit het potje. Het potje zelf neemt echter niet in omvang toe. De taart wordt niet groter, maar de verdeling van de stukken verandert wel, ten koste van universiteiten die niet groeien.

Om te kunnen concurreren met de rest wordt iedere universiteit dus geprikkeld om door te groeien; geen groei betekent immers achteruitgang in financieel opzicht. Het is dan ook niet verwonderlijk dat universiteiten inzetten op een vergaande verengelsing en internationalisering, aangezien zij voornamelijk kunnen groeien door studenten aan te trekken uit het buitenland.

Deze ongeremde groei is echter een race naar de bodem. Ieder jaar bereiken de berichten ons dat internationale studenten, of überhaupt Nederlandse studenten, geen huisvesting kunnen vinden en daardoor thuis moeten blijven wonen, of nog erger in het geval van buitenlandse studenten: in tentjes moeten bivakkeren of zelfs noodgedwongen terug naar het eigen land.

Naast huisvesting is er ook een capaciteitsprobleem: collegezalen zijn te klein, waardoor colleges ‘gelivestreamd’ moeten worden naar een tweede zaal, of colleges zelfs ’s avonds gegeven moeten worden. Bovendien is het nog maar de vraag of er ook niet een capaciteitsprobleem ontstaat op de arbeidsmarkt op de langere termijn.

Om te voorkomen dat niet al te veel studenten zich specialiseren in een bepaald vakgebied via een vervolgstudie, in de vorm van een master, gebruiken de universiteiten daarom ook steeds vaker capaciteitsbeperkende maatregelen. De vraag is of het wenselijk is – en terecht ten opzichte van studenten – om te selecteren, bijvoorbeeld op basis van cijfers, puur en alleen omdat de universiteit zo nodig moet groeien. Daarbovenop bestaat het gevaar dat op de lange termijn, net als bijvoorbeeld in de Angelsaksische academische gemeenschap, internationale studenten onze eigen studenten verdrukken door deze selectie. Als Nederlander is het namelijk lastig concurreren met een veelvoud aan buitenlandse studenten, die zich ook aanmelden voor jouw studie en van wie het gros betere cijfers heeft, maar zich op andere vlakken minder heeft ontplooid.

Om de perverse prikkels tegen te gaan, is het van belang dat de rijksbijdrage voor de ene universiteit niet afhangt van de groei van de andere

Het is daarom van groot belang dat er een heldere visie wordt ontwikkeld voor de groei van de Nederlandse universiteiten, of juist de begrenzing daarvan, waartoe de rector magnificus van de Universiteit van Amsterdam, Karen Maex, ook al opriep. Wij roepen als fracties alle universiteiten dan ook op om in VSNU-verband de dialoog aan te gaan met het ministerie om het huidige bekostigingsmodel te herzien. Om de perverse prikkels – die leiden tot de ongeremde groei – tegen te gaan, is het van belang dat de rijksbijdrage voor de ene universiteit niet afhangt van de groei van de andere. Om in de metafoor te blijven: geef iedere universiteit haar eigen taart, in plaats van te soebatten over wie het grootste stuk krijgt.

Deze maatregel hoeft er niet toe te leiden dat er meer geld naar het onderwijs gaat – alhoewel dat geen overbodige luxe zou zijn – maar gaat er voornamelijk om hoe het geld verdeeld wordt. Evenmin hoeft deze verandering te leiden tot een afzwakking van de ingezette internationalisering: als de universiteiten al die tijd al met de juiste motieven internationaliseerden, zetten ze dit ook door onder een ander bekostigingsmodel.

Laat de minister daarom bij het voorgenomen initiatief uit het regeerakkoord om de bekostigingssystematiek van universiteiten aan te passen voor technische studies óók deze problematiek serieus in beschouwing nemen. Doet ze dat namelijk niet, dan is het wachten tot de universiteiten uit hun broek scheuren.

Dit opiniestuk is mede ondertekend door de volgende fracties van universiteitsraden: Lijst Calimero (Groningen), VeSte (Wageningen), DOPE (Maastricht) en DAS (Eindhoven).