Recensie

Nostalgie naar Remco Camperts Amsterdam

Komedie Frans Weisz roept de jarenzestigzindering van Camperts boek op met een jazzy soundtrack, sensuele scènes waar zelfs af en toe nog wat schaamhaar te zien is en personages die plots beginnen te tapdansen.

Romy Louise Lauwers, Reinout Scholten van Aschat en Géza Weisz in ‘Het Leven is Vurrukkulluk’.

Zouden twintigers vandaag de dag zich nog kunnen identificeren met Mees en Boelie? Die vraag steekt geregeld de kop op als je de hoofdpersonen uit de boekverfilming Het Leven is Vurrukkulluk door een hedendaags Vondelpark ziet slenteren en vrijelijk Nijhoff hoort citeren. Ze ontmoeten er de jonge Panda, die nog een dag te vullen heeft voor ze de trein naar Parijs neemt.

Jongeren die zonder veel toekomstplannen door de stad flaneren bevolken grote delen van de literatuur- en filmgeschiedenis, van Baudelaire die door de straten van Parijs dwaalde tot Nico die in Oh Boy (2012) vruchteloos zoekt naar een kop koffie in Berlijn. Wat hen interessant maakt, is hoe ze tussen al het nietsen en feesten de wereld rondom hen beschrijven. Campert schetste in zijn romandebuut uit 1961 zowel met zijn taal als beelden een zinderend en zorgeloos Amsterdam, tenminste als je zoals Mees en Boelie nog geen verplichtingen hebt of vastzit in een ongelukkig huwelijk.

De film van Frans Weisz probeert die jarenzestigzindering oproepen, met jazzy soundtrack, sensuele scènes waar zelfs af en toe nog wat schaamhaar te zien is en personages die dansjes uitvoeren. Tegelijkertijd zien we rondom die jarenzestigkern het hedendaagse leven voorbij zoeven, met toeristen op segways en parkbezoekers die tai chi beoefenen.

Het levert mooie momenten en beelden op, maar ook een film die in zijn geheel nergens echt tot leven komt. Met de verwijzingen naar het heden wordt te weinig gedaan om te compenseren dat Mees, Boelie en Panda zonder hun jarenzestigcontext wat saaie personages zijn. Dat het drietal iets aardiger is gemaakt dan in het boek – zo beroven ze de grijsaard die hen achtervolgt bijvoorbeeld niet, maar geven hem alleen een duwtje zodat hij in het water belandt – helpt niet mee. Enige spot met hun decadentie, arrogantie én naïviteit verdwijnt daardoor. Dat ze praten in Camperts speelse jarenzestigschrijfstijl levert soms houterige dialogen op.

Wat overblijft is een mooie, maar wel heel nostalgische blik op de jaren zestig in Amsterdam, waarin je nog met een sigaret in de mond Café Americain kon binnenwandelen.

Lees ook een portret van de regisseur van ‘Het Leven is Vurrukkulluk’: Een halve eeuw Frans Weisz
    • Sabeth Snijders