opinie

    • Ellen Deckwitz

Er bijna zijn

Het zijn donkere koude weken en de laatste tijd zie ik de ene na de andere relatie uit elkaar spatten. Wat me opvalt, is dat iedereen tijdens de huilbuien hetzelfde zegt: ik was er bijna. Gisteravond vroeg ik aan mijn zus, die als psycholoog toch een soort Google Maps is voor de menselijke geest, waar dit door komt. Ik dacht juist dat weinigen nog geloofden in een partner voor het leven, dat men tegenwoordig meer uitging van seriële monogamie.

Mijn zus haalde haar schouders op.

„Nou ja, de meesten zijn toch opgegroeid met het idee van die ene grote liefde hè, alle gescheiden ouders ten spijt. Ik ben bang dat velen daar diep vanbinnen toch aan vasthouden.”

„Maar die vasthoudendheid zorgt voor zoveel leed”, zei ik, „zouden we die niet beter afleren?”

Mijn zus masseerde even haar wangen, wat ze wel vaker doet als ze vindt dat ik iets doms heb gezegd. Ze zuchtte en draaide zich naar me toe.

„Er was een tijd dat ik aan patiënten met liefdesverdriet – de tiepjes die maar bleven treuren dat ze er zogenaamd bijna waren – een gedachtenexperiment voorlegde. Stel je voor dat je opeens in de toekomst kan kijken, en ontdekt dat je nooit die grote liefde zult hebben. Hoe zou je je leven dan inrichten?”

‘Het zou in ieder geval tijdswinst opleveren”, zei ik na er even over te hebben nagedacht, „ik ken zoveel mensen die zodra ze single zijn een goed deel van hun vrije tijd gebruiken om die status weer op te heffen: sporten, kapper, naar feestjes, eindeloos op datingapps zitten. Ze zouden hun tijd zeker anders besteden als ze wisten dat romantische liefde er voor hen niet in zat. Misschien een hobby nemen, of een huisdier. Of besluiten om echt werk te maken van die bucketlist. Eigenlijk best een goed idee, ervan uitgaan dat je de ware nooit tegen zult komen.”

„Precies”, zei mijn zus, „tot je weer verliefd wordt, en het weer uitgaat. Dan liggen ze weer bij mij op de sofa te klagen, dat ze er bijna waren. Het geloof in die ene grote liefde is onuitroeibaar.”

„En zo blijven ze telkens volhouden dat ze er bijna waren”, zei ik zacht. „Om niet stil te hoeven staan bij de mogelijkheid dat de ware niet bestaat.”

Mijn zus knikte.

„Maar ja, daar willen de meesten niet aan. Die willen veroveren. Een ander die de leegte opvult. En zo eindigen ze om de zoveel tijd huilend op een bank, om daarvan bij te komen. En dat zullen ze blijven doen, tot ze ontdekken dat ze hun eigen grote liefde moeten worden. En daar begint het werk pas echt.”

schrijft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.

    • Ellen Deckwitz