Een halve eeuw Frans Weisz

Portret Frans Weisz Hij begon met Remco Campert en volkskomedies, toen werd het ernst. Nu sluit de cirkel zich.

Frans Weisz tijdens de opnames van ‘Het Leven is Vurrukkulluk’ Foto Remko de Waal/ANP

De jaren 60: de jongen die een meesterwerk zou maken

Bericht uit de Volkskrant, 1963: „Een jonge filmer, die zijn opleiding in Italië kreeg, de 25-jarige Frans Weisz, gaat voor de maatschappij van Frankfurther het boek van Remco Campert Het leven is vurrukkulluk verfilmen.”

Deze week, 55 jaar later, komt die film in de bioscoop. Producent P. Hans Frankfurther leeft niet meer, de beoogde acteurs van toen zijn oud of gestorven, maar regisseur en schrijver zijn nog dezelfde. Wat de toekomst hierna ook brengt, deze cirkel is gesloten: zijn eerste lange speelfilm maakte Frans Weisz in 1966 samen met Remco Campert, op basis van diens boek Het Gangstermeisje.

„Het zou een meesterwerk worden, dat wist ik zeker”, zegt Frans Weisz (79) nu. „Het enige wat ik nog niet zeker wist, is of hij zou worden beloond met een Gouden Palm of met een Oscar.” Voor zijn korte film Een zondag op het eiland van de Grande Jatte had hij het jaar ervoor „prijzen, prijzen, prijzen” gekregen – „waanzinnig”. Hij vroeg Orson Welles ooit wat het ellendigste was wat hem ooit was overkomen. „Citizen Kane”, had die gezegd. Zijn eerste film, meteen een meesterwerk, en nooit meer overtroffen.

Het Gangstermeisje was geen Citizen Kane. Vijf weken na de première gebeurde wat Frans Weisz hoopte: volle zalen. Hij reed altijd even met de Lelijke Eend langs bioscoop Calypso. Dan stak de kassier twee duimen op: het gaat goed. De vijfde week schaarde de portier zijn handen: leeg. Iedereen die hem had willen zien was geweest, en daarna kwam er niemand meer kijken naar de mooie, maar ondoorgrondelijke film. Nu is het „de meest uitgeleende dvd op de Filmacademie”. Frans Weisz zegt het alsof er een halve eeuw later nog altijd iets bewezen moet worden.

De jaren 70: de volksfilms

Jofele jongens en toffe meiden, beetje seks, beetje misdaad en een achtervolging langs de Amsterdamse grachten. Henk van Gelder somde in zijn standaardwerk Hollands Hollywood de elementen op „voor de succesvolle Nederlandse speelfilm” in de jaren 70. Dat deed hij bij De inbreker, de tweede lange film van Frans Weisz. „De eerste keer dat ik een speelfilm maakte waar de mensen heen gingen”, zegt hij.

Ondanks het rijtje van Van Gelder: De inbreker is allesbehalve een formulefilm. Vanaf de eerste close-up op de geconcentreerde blauwe ogen van inbreker Glimmie tijdens een kraak, tot aan de finale met een feilloos naar de slechterik geworpen mes, zijn camera en regie dienstbaar aan de acteur die zijn eerste fenomenale hoofdrol speelde: Rijk de Gooyer.

Daarna volgden in hoog tempo Naakt over de schutting, Rooie Sien en Heb medelij, Jet! Allemaal jofel en tof, allemaal Amsterdams, tot in scènes in Friesland aan toe. De Nederlandse film vierde hoogtij. Het Parool schreef: „Ondanks bepaalde bezwaren zal Rooie Sien wel weer een groot succes hebben bij het bioscooppubliek.”

Bij de laatste jofele film, uit 1975, had Weisz er naar eigen zeggen zo schoon genoeg van dat hij bereid was zijn auto tegen een boom te rijden. Hij werd geïnterviewd door Ischa Meijer, die vroeg waarom hij alleen maar films maakte naar andermans boekjes. „Het grote vluchten was voorbij”, concludeerde Weisz later.

De jaren 80: voor en na ‘Charlotte’

Tijdens het filmen is er de zelfhaat. Bij de vertoning zijn er de zenuwen voor het publiek en vooral de recensenten. Bij elke vorm van kritiek borrelen in Frans Weisz twee gedachten op: ik haat die man, die vrouw, en: hij/zij heeft het grootste gelijk van de wereld.

Dit was de film die hij moest maken, als om Ischa Meijer van repliek te dienen: het verhaal van de Duits-Joodse kunstenaar Charlotte Salomon (gespeeld door Birgit Doll) die in Auschwitz werd vermoord en werd overleefd door de kunstwerken die samen haar hele leven toonden. De opnameperiode van Charlotte (1981) was een lijdensweg. „Ik draaide scènes waarvan ik zeker wist dat ze totaal verkeerd waren.”

De ontvangst op het filmfestival van Venetië was enthousiast, de recensies ook – al tekende de Volkskrant aan dat de film weliswaar briljant en prachtig was, maar dat de regisseur het drama had afgeknepen en hij daarom geen „meesterwerk” was.

Daar viel het woord eindelijk weer eens in verband met Frans Weisz. Stelde de ontvangst hem gerust? Had het geholpen, dat hij met Charlotte een film had gemaakt die ook zijn eigen idee van een meesterwerk weer benaderde? Hij zegt het zo: „Ik deel mijn filmleven in BC en AC in: before Charlotte en after Charlotte.”

De jaren 90: de televisiejaren

Twee kenmerken van Frans Weisz worden door de jaren heen geprezen. Zijn vermogen om een film leven in te blazen, sfeer te geven, en om die sfeer zowel licht als melancholiek te maken – lacht aber weint, zoals Weisz dat noemt. En zijn vermogen om het beste uit acteurs te halen. In de vroege jaren waren Kitty Courbois en Rijk de Gooyer de mooiste voorbeelden. In de latere jaren ook, want beiden speelden verpletterend in Leedvermaak, een film die de loden last van de oorlog liet voelen zonder iets anders te tonen dan een bruiloftsfeest.

In de tv-producties die hij in de jaren negentig maakte – Bij nader inzien (1991), Op afbetaling (1992), Het jaar van de opvolging (1998) – regisseerde de vijftiger Weisz ineens een generatie late twintigers en vroege dertigers van het toneel naar de bekendheid: Jeroen Willems, Porgy Franssen, Loes Wouterson, Gijs Scholten van Aschat. Voor Bij nader inzien won hij zijn tweede Gouden regie-kalf in drie jaar tijd.

De jaren 00: de magere jaren

Frans Weisz, het Joodse jongetje wiens vader in Auschwitz werd vermoord, net als Charlotte. Die de oorlog overleefde in een pleeggezin, die zich nog herinnert hoe hij daar op een dag door een Duitse soldaat aan zijn voeten onder het bed vandaan werd getrokken en over de schouder geslingerd, tot de man hem om de een of andere reden weer neerzette en terugschopte onder het bed („ik pieste in mijn broek van angst”). En die na de oorlog tot zijn zestiende in kindertehuizen woonde: „In een tehuis denk je altijd dat ze zullen zeggen: ga jij maar weg, jij bent niet lief genoeg.” Die man dúrft niet te denken dat hij aardig is, die moet altijd aardig worden gevonden. Hij filmt om dat voor mekaar te krijgen en niet uit innerlijke noodzaak, zegt hij zelf. „Als ik op een onbewoond eiland zou aanspoelen, met een camera en een paar rollen celluloid, dan zou ik niet gaan filmen.”

Met de uitgesmeerde Leedvermaak, Qui Vive (2001) en Happy End (2009) omarmde Frans Weisz volop de oorlog, en dus zijn eigen demonen. De films waren gebaseerd op toneelwerk van Judith Herzberg, die ook met Weisz de scenario’s schreef (net als voor Charlotte). Een van de vele trouwe verbintenissen die Frans Weisz in zijn leven als filmer aanging. „Ik heb vorig jaar drie muzen verloren”, zegt hij somber. „Kitty Courbois, Birgit Doll en Astrid.” Astrid Weyman, op de titelrol van Het gangstermeisje vermeld als Asta Weyne, was Weisz’ eerste vrouw.

De jaren 10: hoe alles terugkomt

Op een dag ging Frans Weisz met vrienden naar de bioscoop. Citizen Kane zou draaien. De operateur kwam de zaal in: de film was nog niet gereed, ze zouden een eenakter draaien om de tijd te doden. Toen rolden de beelden uit vooroorlogs Berlijn de zaal in: Jagd auf dich, een korte film uit 1929 of 1930. „Hé Frans, is dat familie van jou”, vroegen vrienden toen ze de naam Geza L. Weisz op de titelrol zagen. „Nee hoor”, zei Weisz. Waarom zei hij dat? „Ik was bang dat ze het waardeloos zouden vinden.”

Ze zagen een kleine man de Kurfürstendamm oversteken. Dat was de man naar wie Frans Weisz later zijn zoon zou vernoemen, de hoofdrolspeler in Het leven is vurrukkulluk.

Lees hier de recensie van ‘Het Leven is Vurrukkulluk’

Weisz zou enkele scènes met zijn vader uit Jagd auf dich opnemen in Leven? Of theater?, een documentaire over Charlotte Salomon. Hij legde die twee levens filmisch even naast elkaar. Zijn vader die zijn hoed opzet. Een jeugdfoto van Charlotte gemonteerd in een terrasstoel. De montage laat hun blikken kruisen. Helemaal film.

    • Bas Blokker