De opmars van de peuterschool

Onderwijs

Leerachterstand moet je vroeg aanpakken. De Van Ostadeschool in Den Haag is een peuterschool begonnen, voor kinderen vanaf 2,5 jaar. Ook steeds meer kinderen zónder leerachterstand gaan naar een voorschool. „Samen spelen is heel belangrijk.”

Leerlingen van de Van Ostadeschool in Den Haag, de eerste basisschool in Nederland met een peuterschool. Foto: Olivier Middendorp

Zo ziet een schoolklas voor peuters eruit. In de hoek van het lokaal speelt een jongetje met blokken, een ander wordt verschoond. Twee meisjes zijn aan het schilderen, een jongen drentelt rond met een telefoon in zijn hand. Er staat een kartonnen hut, een poppenhuis, een zandbak. Iemand speelt met een vrachtwagentje, aan ander is aan het tekenen. Twee juffen laveren overal tussendoor.

Het ziet er niet uit alsof hier veel geleerd wordt. Maar dat is schijn, zegt directeur Renald Gunsch. De juffen letten continu op: wat zijn de kinderen aan het doen en wat betekent dat voor hun ontwikkeling? En ze sturen bij. Als een kind met autootjes alleen maar heen en weer rijdt, laten ze zien dat je er ook rondjes mee kan rijden, of een file maken. Krijgt iemand een schilderschort niet aan, dan vragen ze of een ander kindje even wil helpen. ‘Begeleid spelen’, noemt Gunsch het.

Gunsch is directeur van de Van Ostadeschool in Den Haag, een basisschool waar sinds drie maanden ook kinderen van 2,5 jaar naartoe gaan. Het is de eerste peuterschool van Nederland. Hier leren kinderen om te leren, legt Gunsch uit. Want spelen gaat aan leren vooraf. De peuters gaan vier of vijf ochtenden naar school, van half 9 tot half 12.

Lees ook: ‘Eén school voor alle peuters’

Nergens in Nederland valt de peuterklas onder het basisonderwijs, zoals op de Van Ostadeschool. Maar het principe van peuteronderwijs is wel aan een lange opmars bezig, zij het onder de vlag van de kinderopvang. Inmiddels gaat zo’n 80 procent van de kinderen die risico lopen op een leerachterstand naar de voorschool: een speelse taaltraining, vaak gegeven op een kinderdagverblijf, die hun achterstanden moet wegwerken. Het nieuwe kabinet trekt daar 170 miljoen euro extra voor uit.

Foto: Olivier Middendorp
Foto: Olivier Middendorp
Foto: Olivier Middendorp

Vroege segregatie

Er gaan ook steeds meer kinderen zónder leerachterstand naar een voorschool. Sommige gemeenten bieden dat peuters aan – tegen het kabinetsbeleid in – omdat het goed is voor hun ontwikkeling. En het is een manier om vroege segregatie in het onderwijs tegen te gaan, denken ze. De wethouders van de vier grote steden willen dat er één basisvoorziening komt voor alle peuters, zeiden ze onlangs in NRC. Ze worden gesteund door organisaties als de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en door onderzoeken van onder meer de Onderwijsraad.

„De leeftijdsperiode van 0 tot 5 jaar is heel bepalend voor hoe kinderen zich in hun verdere leven ontwikkelen”, zegt Paul Leseman, hoogleraar aan de Universiteit Utrecht en gespecialiseerd in achterstandsonderwijs. „De hersenen zijn in die periode het meest vormbaar.” Al op de leeftijd van 1 jaar zijn er grote verschillen tussen kinderen, zegt hij, die te maken hebben met hun sociaal-economische of etnisch-culturele achtergrond. „Voor gelijke kansen is het dus zinvol vroeg te beginnen, wat mij betreft vanaf 1,5 jaar.”

Leseman vindt het ook „heel wenselijk” dat peuters met en zonder achterstanden bij elkaar zitten, zodat ze elkaar tegenkomen en van elkaar leren. Toch is het volgens hem maar de vraag of de invoering van één peuterinstelling, zoals wethouders willen, segregatie oplost. „De maatschappelijke realiteit is dat segregatie ontstaat door waar mensen wonen en door keuzepatronen. Ouders zullen voor andere opties kunnen en blijven kiezen dan het centrum in de buurt. In een geprivatiseerde sector is het bovendien mogelijk om met tarieven en aanvullende bijdragen selectiemechanismen in de hand te werken.”

Lees ook: Hoe een zwakke school succesvol werd

Op de Van Ostadeschool, midden in de Schilderswijk, gaan wel alle peuters samen naar school – die met en zonder risico op een leerachterstand. Ouders worden nauw bij het leerproces betrokken, vertelt directeur Gunsch. Want ze weten niet altijd hoe ze hun kind moeten stimuleren. Zo was er een jongetje dat niet langer dan een minuut op zijn stoel kon blijven zitten zonder eraf te vallen. „Hij had dat niet geleerd.” En als je een kind nooit voordoet wat er allemaal mogelijk is met lego, weet hij niet wat hij ermee moet doen.

„Samen spelen is heel belangrijk”, zegt Gunsch. „Daardoor oefent een kind met uitgestelde aandacht, samenwerking, zelfredzaamheid.” De onderwijzers voor de klas hebben zich met cursussen gespecialiseerd in de breinontwikkeling van jongere kinderen. Ze weten wanneer ze wat moeten leren; ze weten wat er ná krassen komt.

Schipperen tussen wetten

Het idee voor een peuterklas ontstond doordat de school eerder bij de ontwikkeling van leerlingen betrokken wilde zijn, vertelt Gunsch, juist omdat de peuterleeftijd zo bepalend is. Bovendien sluiten voorschool en kleuterklas vaak niet goed op elkaar aan. „Voorscholen werken met vaste programma’s, voornamelijk gericht op taal. Wij richten ons op het spelen – de voorwaarden tot leren – en passen het programma voortdurend aan op het kind.” Kinderen kunnen eventueel eerder of later naar groep 1.

Maar gemakkelijk was het niet de peuterklas te beginnen. Gunsch moest schipperen tussen twee wetten en ministeries: de Wet kinderopvang (peuters) en de Wet op het primair onderwijs (kleuters en daarna). Die eerste wet is veel strenger; die bepaalt bijvoorbeeld dat er altijd een volwassene naast de beroepskracht toeziet op een groep – het zogenoemde vierogenprincipe. De oplossing werd gevonden in een convenant, waarin de school onder meer toezegt zich aan de strengere kinderopvangregels te houden. En dankzij een experiment van het ministerie van Onderwijs mag de school tijdelijk afwijken van wetten en regels. De peuterschool is dus nog een proef, van twee jaar, voor zestien kinderen. „Nederland hè”, lacht Gunsch.

De peuters in het klaslokaal hebben van die bureaucratie geen last. Gunsch wijst naar een jongetje dat in de weer is met de blokkendoos. „Toen hij hier net was, gooide hij alle blokken nog om zich heen. Nu bouwt hij er torens mee. En daarna ruimt hij ze keurig op.”

Foto: Olivier Middendorp

    • Mirjam Remie