Opinie

    • Maxim Februari

Dat jij ik bent, en niemand anders, wordt niet beloond

Het boek is allang verloren gegaan. Internet kent het gedicht niet. Maar internet en boekenkast moeten niet denken dat ze de enigen zijn met een geheugen. Ergens in de verre uithoeken van mijn menselijke hoofd dwaalt een oud gedicht rond van Mischa de Vreede. Het gaat over haar zoontje – een vijfjarig kind dat Tobias heet – en het moet stammen uit de late jaren zestig. Uit dat triomfantelijke hoofd van mij vis ik het gedicht op als een ‘platte’ tekst. Geen opmaak dus, geen leestekens, de regels worden niet meer afgebroken zoals dat ging in de oorspronkelijke vorm. Alleen de woorden zijn er nog.

Het gedicht gaat zoals gezegd over dat vijfjarige kind dat Tobias heet; hij „staat met de deur te zwaaien, op elke knop een hand, het grote hoofd vol hersens op de arm aan de kamerkant. Hij is op weg naar boven, maar aarzelend blijft hij wat hangen, en kennelijk bevangt hem het weten wie hij is, en dát hij is wát hij is en nooit meer een ander. En tegen niemand in het bijzonder zegt hij zachtjes, maar zeer goed te horen: ‘Ik heb toch zo erg het gevoel dat ik Tobias ben.’ Ach, mijn lieve, oud worden is erger dan dood gaan. Ik heb het al vaker gezegd.”

Gelukkig maar dat zulke oude gedichten in je hoofd blijven zitten, want af en toe valt de verdere ondersteuning weg. Zo kent het VSBFonds deze week nog een prijs toe aan poëzie, maar daarna nooit meer. Omdat, schrijft het fonds, men zich wil gaan richten op „actief burgerschap” en op projecten die verbinding bevorderen tussen groepen. Door „de huidige maatschappelijke ontwikkelingen” worden verschillen tussen mensen groter en daarom wil het fonds projecten steunen waarin burgers voor samenhang zorgen. „De Poëzieprijs, een prijs voor een bundel van een individu, past niet meer in deze koers”, zegt het fonds.

Daar staat dat vijfjarige kind dus eenzaam met de deur te zwaaien, in het plots opkomende besef dat hij Tobias is en nooit meer een ander. Hem overvalt het ‘ik ben ik’-besef waarnaar psycholoog Dolph Kohnstamm zoveel onderzoek heeft gedaan, een besef dat individuatie heet, het inzicht los te staan van de anderen; dat je alleen bent in je ervaring, en dat anderen de dingen anders zien dan jij. Kohnstamm noemt deze ontdekking van het anders zijn belangrijk voor je zelfbewustzijn. Maar het VSBFonds is er niet voor.

Het staat het fonds natuurlijk vrij om bezwaar te maken en om dit ik-ben-ik-besef, dat ons allemaal vroeg of laat overvalt, te ontmoedigen. Het mag zelf weten waaraan het zijn steun verleent. Maar de individuatie, de schokkende ontdekking alleen op de wereld te zijn, de erkenning van eenzaamheid die een moeder doet verzuchten dat oud worden erger is dan doodgaan: het hoort allemaal bij het volwassen worden.

Dolph Kohnstamm citeert op zijn website een jeugdervaring van thrillerschrijver Henning Mankell. „De herinnering staat in mijn geheugen gegrift. Plotseling krijg ik een ingeving. Het is alsof er een schok door mijn lichaam gaat. Als vanzelf ontstaan de woorden in mijn hoofd. Ik ben ik, en niemand anders. Ik ben ik. Op dat moment word ik me bewust van mezelf. Daarvóór was ik een kind, met kinderlijke gedachten. Maar nu begint er een heel nieuwe fase. Voor identiteit is bewustzijn noodzakelijk. Ik ben ik en niemand anders. Ik ben niet inwisselbaar met iemand anders. Het leven wordt plotseling een serieuze kwestie.”

Terwijl het VSBFonds betreurt dat huidige maatschappelijke ontwikkelingen de verschillen tussen mensen groter maken, zou je met evenveel recht en reden kunnen klagen dat de verschillen tussen mensen juist kleiner worden. Deze dagen betekent identiteit immers niet langer een afzonderlijk zelfbesef, de klassieke identiteit van a is a, ik ben ik, ik ben wie ik ben. Identiteit is tot groepsidentiteit geworden: je bent je overeenkomsten met anderen. Je bent rechts met de rechtsen, of links met de linksen. Als het VSBFonds wijs was, zou het die groepsvorming ontmoedigen, niet de afzondering.

In afwachting van de uitreiking van de laatste VSB-poëzieprijs, deze week, heeft het online tijdschrift Neerlandistiek omgekeken naar 1918 en naar een paar honderdjarige dichtbundels die ook een prijs hadden verdiend. Zoals de bundel Liederen van Jacob Israël de Haan, met daarin het liefdesgedicht dat De Haan schreef voor een jonge man uit Bretagne. „Rozen zijn niet zoo schoon als uwe wangen, / Tulpen niet als uw bloote voeten teer, / En in geen oogen las ik immer meer / Naar vriendschap zulk een mateloos verlangen.” Een bundel van een eenling – een gedicht over individualiteit en eenzaamheid. En toch hebben juist die regels meer gedaan tegen „achterstand en achterstelling” dan het VSBFonds ooit zou durven dromen.

Maxim Februari is jurist en schrijver, www.maximfebruari.nl.
    • Maxim Februari