Albumoverzicht: Garagerock uit New York en reggae uit Almere

De muziekrecensenten van NRC beoordelen de nieuwe albums van deze week, met onder meer Beechwood, The Dubbeez en Mozart.

  • ●●●●●

    Case Mayfield: Egomaniac

    Case MayfieldPop: Na een paar jaar pauze is de Volendamse singer/songwriter Case Mayfield terug met een aangenaam album met een afstotende titel, Egomaniac. Als geheel is Egomaniac niet volledig geslaagd, maar uit de nummers blijkt dat Mayfield op zoek is naar een nieuwe muzikale stijl.

    De sfeer in zijn weemoedige liedjes is weerbarstiger en onaangepaster dan voorheen. Binnen het singer/songwriter-idioom zoekt Mayfield nu de tegendraadse hoekjes, zoals spreekt uit zijn soms uitdagend vals uithalende zangstem die zich nergens iets van aan lijkt te trekken. Die ontsporende zang staat in mooi contrast met de onverstoorbaar musicerende begeleiders. In bijvoorbeeld openingssong ‘Lovely Hanna’ wordt de compositie door een groot aantal vaardige muzikanten uitgebouwd tot een doorwrochte symfonie, met elegante uitwijdingen en overgangen. Andere nummers zijn juist onuitgewerkt, alsof alleen de schets is opgenomen. Mayfield lijkt op twee gedachten te hinken. Maar hij is terug, op zijn eigen voorwaarden, en dat is een geslaagd uitgangspunt. Hester Carvalho

  • ●●●●

    Beechwood: Songs from the Land of Nod

    BeechwoodPop: Het werd tijd dat de stad New York weer eens een gruizige garageband met zelfkant-allure afleverde, en gelukkig verscheen daar onlangs een trio met de juiste combinatie van lui, ruig en poëtisch. Dat het drietal de nietszeggende naam Beechwood heeft gekozen is een te overkomen nadeel, net als hun overbodige uitvoering van ‘I’m Not Like Everybody Else’ (van The Kinks). Dan blijft over: tien nummers met een diep doorleefd geluid, alsof uit de krochten van de metrotunnels gitaardampen en zangecho’s opstijgen, om bijvoorbeeld samen te vloeien in het geweldig stuwende ‘This Time Around’. In ‘Melting Over You’ slaat de grofkorrelige ennui in golven over je heen, terwijl ‘Pulling Through’ gas terug neemt in een stekelige gitaarexploratie.

    Al zien de leden van Beechwood eruit als kleinzoons van The New York Dolls, en flirten ze graag met heroine-gebruik (‘Land of nod’) en onaangepast gedrag, hun muzikale stijl blijkt een afgewogen combinatie van vernuft en nonchalance. Hester Carvalho

  • ●●●●●

    The Dubbeez: Peace, Love & Dub

    The DubbeezReggae: Met Afro-Caribische ritmes alweer een paar jaar in het hart van de popmuziek zou je verwachten dat het wemelt van de reggaebands. Dat valt tegen, althans, als het gaat om bandjes die de middenmoot ontstijgen. Een Nederlandse uitzondering is The Dubbeez. Het zestal uit Amsterdam en Almere bouwt al enige tijd een goede live-reputatie op en vertrok naar Jamaica om een debuutplaat op te nemen. Peace, Love & Dub is opgenomen in de door Bob Marley opgerichte Tuff Gong studio en The Dubbeez kregen tijdens de opnames onder meer een baslijn van Robbie Shakespeare (van het legendarische producersduo Sly & Robbie). Heilige grond dus. De band zit goed in de roots reggae, maar niet alle songs zijn even trefzeker en onderscheidend. Het eigen geluid ligt voornamelijk bij zangeres Joanne en het fijne soullaagje van de achtergrondvocalen. De sporadisch hoorbare blazers hadden het album hoger kunnen tillen. Leendert van der Valk

  • ●●●●

    Wolfgang Amadeus Mozart: Pianoconcerten 25 & 27. Piotr Anderszewski & Chamber Orchestra of Europe

    Wolfgang Amadeus MozartKlassiek: Het musiceren van de Poolse pianist Piotr Anderszewski doet wat denken aan beeldhouwen - in de goede zin van het woord. Zoals Michelangelo de beelden uit het steen ‘bevrijdde’, zo maakt Anderszewski de noten los van de partituur. Zijn spel herbergt iets van de warme en mysterieuze glans van marmer. Met Anderszewski ook als dirigent vanachter de vleugel ontstaan er biologerende gesprekken tussen de piano en het orkest.

    Want beiden praten meer dan dat ze zingen, in de zin dat er geen noot onder de tafel verdwijnt. Elke frase blinkt uit in verstaanbaarheid. In Anderszewski’s eigen cadens in Pianoconcert nr. 25 verschijnt plotseling de schaduw van Chopin ten tonele, een flard die herinnert aan diens Préludes. Een anachronisme dat past in een werk dat muzikaal al vooruit wees, met motieven die later zouden opduiken in Die Zauberflöte, Beethovens Vijfde Symfonie en de Marseillaise. In alles - ook in de melancholie van Mozarts laatste pianoconcert - regeert de waterheldere klank van Anderszewski. Joost Galema

  • ●●●●

    Johannes Brahms: Cello Sonatas. Jean-Guihen Queyras & Alexandre Tharaud

    Johannes BrahmsKlassiek: De Cellosonates van Johannes Brahms belichamen een hogere orde in de kunst van het geven en nemen. Het verhaal gaat dat de componist het openingsdeel van zijn Tweede op een dag doorspeelde met een niet zo kundige celliste, die klaagde dat zij zichzelf niet boven de piano uit kon horen. ‘Prijs jezelf gelukkig’, bromde Brahms. Aan zulke stekeligheden lijden cellist Jean-Guihen Queyras en pianist Alexandre Tharaud niet. Hun dialogen lijken in volmaakt evenwicht, of ze nu samen zingen of elkaar opjagen in het fugatische slotdeel van de Eerste Sonate. Dat werk is een eerbetoon van dertiger Brahms aan voorgangers als Beethoven, Mozart, Schubert en zijn grootste held Bach. Twintig jaar later, in de Tweede, laat hij de geschiedenis achter zich. Daarin schilderen Queyras en Tharaud de frisse en warme kleuren van de zomerse Alpen, het landschap dat Brahms even het stadse cynisme van Wenen liet vergeten. Joost Galema

  • ●●●●

    Matthias Goerne, Swedish Radio Symphony Orchestra olv Daniel Harding: The Wagner Project

    Matthias Goerne, Swedish Radio Symphony Orchestra olv Daniel Harding.Klassiek: Ruim twee uur stralende highlights uit Wagners muziekdrama’s. Dat is, ultrakort, wat The Wagner Project van bas-bariton Matthias Goerne en het geweldig spelende Swedish Radio Symphony Orchestra onder Daniel Harding te bieden heeft. Dat Goerne een Wagner-stem heeft van fluwelen schoonheid, was al bekend uit zijn aandeel in de Ring-opnames olv Jaap van Zweden. Een terzijde: van Goerne moet je houden. Zijn timbre heeft iets keligs, er zijn zangers die “theatraler”, vrijer fraseren. Maar toch is het een verrassing te horen hoe veelzijdig inzetbaar hij is: zijn Sachs (Die Meistersinger) is lieflijk zonder belerend te zijn, waarbij Harding onherroepelijk (en steeds!) meesleept met opzwepend, fluïde orkestraal contrapunt. Tempi zijn veelal breed en ademend maar waar nodig wordt ook lekker hoekig geschakeld (ouvertüre Der fliegende Holländer). De monoloog van Koning Marke (Tristan und Isolde) zingt Goerne warm, krachtig en aansprekend en zijn Wotan imponeert door de kracht van zijn ronkende laagte Mischa Spel