Recensie

Van Kuijk is te gehecht aan het midden om écht radicale standpunten in te nemen

Cabaretier Jasper van Kuijk gebruikt twee krukjes aan weerszijden van het toneel om het linkse en rechtse denken te vertolken.

Foto Jaap Reedijk

In zijn vierde avondvullende voorstelling Janus probeert Jasper van Kuijk de wereld van twee kanten te bekijken om uit zijn gematigd linkse filterbubbel te komen. Hij houdt een pleidooi voor ‘radicale nuance’, waarmee hij bedoelt dat we moeten luisteren naar radicale stemmen om een genuanceerde middenpositie in te kunnen nemen.

Van Kuijk en zijn regisseur Pim van Alten hebben goed nagedacht over dit experiment. Van Kuijk noemde de voorstelling naar Janus, de Romeinse god met twee gezichten, en gebruikt twee krukjes aan weerszijden van het toneel om het linkse en rechtse denken te vertolken.

Helaas blijkt Van Kuijk te gehecht aan het midden om écht radicale standpunten in te nemen. Hij dist vooral een aantal, sterk versimpelde linkse en rechtse clichés op. Zo betekent links denken volgens hem dat hij zijn voorstelling had moeten laten spelen door een zwarte, lesbische vrouw en betekent rechts denken dat we witte mensen die bang zijn voor vluchtelingen heel serieus moeten nemen. Dit levert uiteindelijk een nogal halfslachtig pleidooi op voor empathie en luisteren naar elkaar. Zijn ambitie om een ‘radicaal midden’ te vormen maakt hij echter nauwelijks waar. Het linkse en rechtse denken komen bij Van Kuijk nergens op overtuigende wijze bij elkaar.

Wat de voorstelling overeind houdt, zijn Van Kuijks soepele vertelstijl en originele grappen, bijvoorbeeld wanneer hij zich afvraagt waarom mannen altijd roepen dat er een piemel in moet, maar vrouwen nooit ‘daar moet een kut omheen’ scanderen. Bij het linkse denken voelt Van Kuijk zich duidelijk het meest op zijn gemak en daaruit komen dan ook de beste grappen voort. Zo prikt hij op komische wijze het idee van een salonsocialist door en vertelt hij een grappig verhaal over hoe je een VVD’er kunt herkennen in de supermarkt. Door de slimme dwarsverbanden tussen het eerste en tweede deel blijft Van Kuijks gedachte-exercitie bovendien tot het eind toe boeien, ook al stelt de politieke inhoud ervan teleur.