Opinie

Ploumens schadelijke Birma-frame

Lilianne Ploumen uit terechte kritiek op Birma, maar heeft als minister zelf bijgedragen aan de legitimering van het regime, schrijft Minka Nijhuis. In 2013 lag het zwaartepunt van haar missie eerder bij handel dan mensenrechten.

Rohingya-vluchtelingen uit Birma in een kamp bij Cox’s Bazar in buurland Bangladesh. Beide landen spraken eerder deze maand af dat honderdduizenden Rohingya kunnen terugkeren. Foto Manish Swarup/AP

Terecht besteedde de talkshow van Eva Jinek (op 15 januari) aandacht aan het tragische lot van de Rohingya uit Myanmar (Birma). De verhalen van oud-minister Lilianne Ploumen die als Tweede Kamerlid voor de Partij van de Arbeid de vluchtelingen in Bangladesh onlangs bezocht, waren buitengewoon aangrijpend. Haar kritiek op het militaire en civiele leiderschap snijdt hout. Maar in de uitzending bleef buiten beeld hoe tijdens haar ministerschap de banden met het regime werden aangehaald.

Ploumen vertelde hoe bij haar ontmoeting met Aung San Suu Kyi in november 2013 de situatie van de Rohingya ter sprake werd gebracht. Dat is maar een deel van het verhaal. Zij bezocht Myanmar destijds als minister van Buitenlandse handel en Ontwikkelingssamenwerking met een delegatie van bedrijven, en opende een handelskantoor. Na decennia van dictatuur waren prille hervormingen op gang gekomen.

Er was een vleugje meer vrijheid en na tussentijdse verkiezingen had Suu Kyi een oppositiezetel in het parlement. Maar de oude macht had de touwtjes nog flink in handen. Buiten de steden woekerden problemen voort. Tienduizenden Rohingya bivakkeerden na het geweld van 2012 in de westelijke deelstaat Rakhine in kampen, en ook honderden anderen raakten hun huizen kwijt. In de noordelijke deelstaten Kachin en Shan waren tienduizenden burgers ontheemd door gevechten tussen het regeringsleger en de troepen van de etnische minderheden.

Als minister stond Ploumen een beleid voor waarbij economische ontwikkeling als motor voor democratisering diende. In het kader van de handelsmissie lag bij haar bezoek aan Myanmar en bij haar gesprek met Suu Kyi het zwaartepunt dan ook bij de vraag wat Nederland en Nederlandse bedrijven konden bijdragen aan economische vooruitgang.

Al gloorde prille hoop, veel Myanmarezen keken ook met zorg en scepsis naar de ontwikkelingen. Ze beseften maar al te goed hoe zorgvuldig een kern van militairen en hun medestanders het traject van transitie hadden geregisseerd.

Met een ‘routekaart in zeven stappen naar een bloeiende en gedisciplineerde democratie’ bepaalden de oude machthebbers de grenzen van de hervormingen. De politieke oppositie, het maatschappelijk middenveld en de organisaties van etnische minderheden stonden voor de taak om de krappe ruimte die de militairen toelieten op te rekken.

Talloze goed ingevoerde Myanmarezen zagen voorzichtige mogelijkheden, maar ze waarschuwden ook om de betrekkingen niet te snel te normaliseren. Het zou de regering en hun medestanders legitimeren en hun greep op de economie versterken. De opening van een handelskantoor gaf heel wat verontruste blikken.

Ploumens toespraak tijdens de receptie ter gelegenheid van haar bezoek met de handelsdelegatie was monter. Verantwoord ondernemen zat de Nederlandse bedrijven in de genen en het moment was daar om dat ook in Myanmar in praktijk te brengen. Toen enkele genodigden in de loop van de avond toch de precaire mensenrechtensituatie aankaartten, kwam dat ongelegen. In een proces van transitie vielen nu eenmaal spaanders bij het hakken. De spaanders zijn een fikse houtstapel geworden.

Bij Jinek probeerde Ploumen de schrijnende situatie in Myanmar toe te lichten: „Wij hebben altijd het idee van boeddhisten dat het hele vreedzame mensen zijn en we hopen altijd zo te worden als zij. lk kan je zeggen: je wilt echt niet zo zijn als deze boeddhisten in Myanmar. Ze zijn gewelddadig [...] Er is daar een idee dat Myanmar zuiver moet worden en daar passen de Rohingya, maar ook andere minderheden niet in.”

Waar gehakt wordt vallen spaanders, was het idee. Dat is nu een houtstapel geworden

Haar bewering heeft met de complexe werkelijkheid van Myanmar weinig te maken. Het geweld tegen de Rohingya wordt uitgevoerd door het leger en milities. Het aanjagen van de haat tegen deze statenloze moslims gebeurt door een lokale extreem-nationalistische partij van de Rakhine-minderheid, en door een groep boeddhistische monniken die nauwe banden onderhouden met radicale (ex-)militairen.

De groep extremistische monniken borduurt voort op een koloniaal verleden waarin hun voorgangers een fel nationalisme propageerden, omdat ze meenden dat hun leer en hun positie door vreemdelingen werd bedreigd. Leidinggevende monniken treden nauwelijks op tegen de giftige boodschap van hun islamofobe collega’s en sommigen gaan er zelfs in mee.

Bij een groot deel van de bevolking is weinig sympathie voor de Rohingya. Mede dankzij jarenlange propaganda van het regime worden zij door velen beschouwd als indringers die een eigen staat opeisen, en ook buitenproportionele angst voor terrorisme en islamitische overheersing spelen een rol in de vijandige houding. Maar aanhangers van het idee dat Myanmar een zuivere natie zonder andere minderheden moet worden zijn de meeste boeddhistische burgers net als de meeste monniken niet. Met haar ondeskundige uitspraken draagt Ploumen bij aan kwalijke framing en beeldvorming.

Ploumen wil dat Nederland als voorzitter van de Veiligheidsraad van de VN het voortouw neemt om het lot van de Rohingya te verbeteren. Er zal veel internationale stuurmanskunst en kennis nodig zijn om druk op de regering en het leger uit te oefenen en tegelijkertijd de mogelijkheden voor een beter Myanmar te blijven steunen. De zware vervolging van de statenloze moslims staat bovendien niet op zichzelf. Het is onderdeel van een militaire strategie die ook de andere minderheden in het land boven het hoofd hangt. Daarom is het cruciaal dat bij de humanitaire crisis van de Rohingya de rest van Myanmar niet wordt vergeten.