Aleksander zag de grap

Fotograaf Ad Nuis en auteur Arthur van den Boogaard maken een foto ‘opnieuw’ en belichten de tijd ertussen.

 

Gepensioneerd psychiater Aleksander Korzec (70) lag tijdens de kerstvakantie van 1989 samen met zoon Sascha (28, master-student) in bed in de slaapkamer op de Reguliersgracht 114 in Amsterdam.

„Lezen hield de demonen op afstand. Als gevluchte Poolse jood had ik er voldoende. Mijn vader was een wakkere man die zowel voor de Duitsers in 1939, als voor de Russen in 1954 vluchtte. In het laatste geval belandden het gezin via Parijs in Tilburg. Nederlands leerde ik via de Donald Duck bij de kapper. Polen had mij een diepgeworteld gevoel voor absurdisme gegeven. Serieuze zaken verplaatste ik naar absurde situaties. Dat gebeurde ook met mijn tweede vrouw, Mecheline, die de foto maakte. Midden jaren tachtig, gescheiden en druk op weg alcoholist te worden, vroegen mijn bovenhuurders of ik, de wijze psychiater, kon helpen bij een huurderskeuze. Mecheline gelooft dat ik als huisbaas haar aanwees. Onzin. We hadden oogcontact. Maar ik zei dat ik het niet wist, dat ze binnen vierentwintig uur moesten beslissen omdat er anders twee nieuwe, heel vervelende huurders kwamen. Dat weet zij niet meer. Grappen worden altijd vergeten. Maar na enige tijd kregen wij een relatie. Sascha was onze eerste kind, zes jaar later volgde Itha, een meisje. Ten tijde van de foto werkte ik in het Lucas Ziekenhuis en had nog praktijk aan huis. Uiteindelijk werd ik opleider: een leuker vak. Niet behoefte aan seks of bescherming is de belangrijkste menselijk drift, maar klagen. Vreemd genoeg ziet Sascha dat als bevrijdend: klagen over problemen die geen problemen zijn, lucht hem op. Onbegrijpelijk. Klagen is agressief, saai en helpt niet. Humor is een volwassen afweermechanisme, met ironisch mededogen als superieure vorm. Zonder is de werkelijkheid onuitstaanbaar.”