Opinie

    • Marcel van Roosmalen

Klaas Gubbels

Nog even over de storm van vorige week, ik zou op die dag een praatje houden bij de opening van een expositie van Klaas Gubbels (84), de beroemde Arnhemse kunstenaar, gespecialiseerd in het schilderen van koffiekannen, tafels en supersaaie stillevens. Zijn werken hebben namen als Uiertafel met melkkan, Dubbele borstentafel, 2e speeldag Reykjavik en Stilleven met peer.

De productie is enorm, ik bewonder hem daarom, maar Klaas beweert dat hij aan elke koffiepot kan zien hoe hij zich de dag dat hij die schilderde voelde. Tegen HP/De Tijd zei hij een paar jaar geleden dat eentonigheid zijn grootste inspiratiebron is. „Elke dag om tien uur op mijn atelier zijn, elke vrijdagochtend boodschappen doen met mijn vrouw, zelfde groenteboer, zelfde bakker, zelfde café, zelfde wijn. Alles altijd hetzelfde. Verschrikkelijk.”

Het contact met Klaas, die mij van eenzelfde levenshouding verdacht, verliep via Inge van Galerie Plaatsmaken. Tussen Kerst en Oud en Nieuw belde Klaas zelf. Hij wilde mijn adres, dan ging hij een nieuwjaarsboodschap in elkaar fröbelen, ik mocht me voorzichtig gaan verheugen op iets supersaais of een koffiepot. Tien dagen later belde Inge, namens Klaas, met de open vraag of ik ooit post van Klaas had gehad.

„Nee”, zei ik. „Zou kunnen”, zei Inge, „Klaas was het adres kwijt”. Lang verhaal kort: op de dag van de opening timmerde ik een ode over Klaas Gubbels in elkaar en daarna haastte ik me naar het station. Ik had geen benul van de omvang van de storm, het was windstil toen ik van huis vertrok en ik ging er maar vanuit dat alles goed kwam als het zelfs hier niet meer waaide.

Bij het station hielpen twee verkleumde dames in lichtgevende hesjes, me uit de droom. Niks reed, van vervangend vervoer wisten ze niets. Ik belde Inge van de galerie, de feestelijkheden waren nog net niet begonnen. „Ik kom niet”, zei ik. Langgerekte schreeuw: „Neeee-eeeee!”

Daarna uitleg: ze waren er al de hele dag bang voor, maar ze hoorden niets, dus Klaas dacht: die komt gewoon. Ze ging het tegen Klaas zeggen. Die zei: „Ik hoop dat hij toch komt.” Dat vond ik heel Arnhems: weten dat het onmogelijk is, maar toch op je schuldgevoel werken.

Inge: „Zeg me een manier waarop het wel door kan gaan…”

Daarna: „Zeg iets….” Ik liep voor de vorm nog maar een keer naar de vrouwen in hun NS-hesjes, die nogmaals communiceerden dat er niets reed. Ook geen taxi.

„Zeg Klaas dat het me spijt”, zei ik tegen Inge. Daarna hoorde ik nooit meer iets van Klaas, en ook niet van Inge. Ik stelde me zo voor dat hij de teleurstelling had gevangen in een supersaai stilleven. Een scheve tafel in een verder lege ruimte, titel: Opening zonder praatje.

Marcel van Roosmalen schrijft op deze plek een wisselcolumn met Ellen Deckwitz.
    • Marcel van Roosmalen