Opinie

    • Marjoleine de Vos

En dan de kwestie van het doorleven

Het is nu een jaar dat we de stem van onze vriend niet meer hebben gehoord, zijn gezicht niet meer hebben gezien, dat zijn telefoon niet werd opgenomen, dat hij niet, hij niet, hij niet. Meer. Nooit. Meer. Hans Lodeizen schreef ooit: „Maar ik weet dat je nog ergens bent”, en je hoopt dat je over je doden zo’n gevoel zal hebben. Maar dat is niet zo. Het punt is juist dat ze nergens meer zijn. Het punt is ook dat het zo moeilijk is om er iets over te zeggen, steeds moeilijker misschien wel, als de tijd maar voortglijdt en de dode ergens achterlaat, op een plaats waar je af en toe naar terug probeert te rennen.

Maar hoe is het met het verleden, dat zit op slot en vertoont hooguit af en toe scènes in je herinnering, meestal flarden. Soms, als je geluk hebt, verschijnt de dode in je droom. Dan mag je iemand even weer spreken, heerlijk, maar dan laat de droom bijvoorbeeld wel weten dat dat niet van lange duur zal zijn. Het bewustzijn is ’s nachts niet zó knock-out geslagen dat je dat niet weet.

Hoe de leegte na iemands verdwijnen eruitziet weet je ook pas echt als iemand er niet meer is. Dan blijk je bijvoorbeeld in het verleden allerlei dingen gedaan te hebben met ergens in je achterhoofd de gedachte aan zijn ogen die erop zouden rusten, aan zijn oordeel, zijn overwegingen. Die gaven betekenis aan wat je deed, aan sommige dingen als het een goede vriend betreft, aan bijna alle als het je geliefde betreft. Een goede vriend is al erg genoeg.

Na de dood van een vriend is de wereld leger, maar daar wil je het niet bij laten zitten

Het is heus niet zo dat het leven stilstaat. „Het is zo vreemd dat wij er allemaal nog zijn en hij niet”, zei een vriendin en ze schudde haar hoofd in onbegrip. We hadden net in een café gezeten met een andere vriend. Alles gewoon als altijd. „En dan de kwestie van het doorleven”, dichtte Robert Anker. „Dat we dat doen.”

Is de wereld grauwer geworden? Ik weet het niet. Wel leger. Er is minder om je op te verheugen, maar daar wil je het ook niet bij laten zitten. Wat staat je te doen als het leven steeds meer op een gatenkaas begint te lijken? Niet klagen maar dragen, er het beste van maken, tuurlijk, maar hoe pak je het aan?

Ik ging naar de bioscoop, naar Visages villages. Agnès Varda (88) en fotograaf JR (33) rijden door Frankrijk, lukraak, ze maken foto’s, ze blazen die heel groot op. Op een muur in een druilerig dorp zie je het hele dorp één groot stokbrood eten; het ene bewoonde huis in een rij voormalige mijnwerkerswoningen draagt nu gevelgroot de beeltenis van de bewoonster; op een treinwagon rijden de voeten van Varda voorbij; op de opgestapelde containers in een haven verschijnen als drie reusachtige gratiën de beeltenissen van de echtgenotes van havenwerkers.

Wil het nog wat zeggen, vraagt een man, die plezier heeft in de treinwagons, maar niet zeker weet of dat zomaar kan. Gekkigheid, zegt Varda, verbeelding, mensen die lol hebben om samen iets te doen. Na een poosje in de film merk je dat je glimlacht, en dat die glimlach blijft. Je wilt hier niet weg. Je wilt bij deze mensen blijven, bij ál die mensen die meedoen en die dus allemaal gevoelig zijn voor iets wat vrolijk, bijzonder, zinloos en arbeidsintensief is. Er is veel triestigheid in de wereld, maar kunst, enthousiasme en samenwerking zijn idioot opmonterend, zonder dat het zoet is, of nep. Dit is het, denk ik. De kwestie van het doorleven. Zó moeten we dat doen.

Marjoleine de Vos is redacteur van NRC.
    • Marjoleine de Vos