Recensie

Een aangrijpende ‘Gevangene’ bij De Munt

De Franse dirigent Franck Ollu loodste het Symfonieorkest van De Munt trefzeker door Dallapiccola’s eenakter Il prigioniero en Wolfgang Rihms Das Gehege. De zangprestaties waren uitstekend.

Scène uit Il prigioniero Foto: Georg Nigl, Angeles Blancas Gulin.

Zes was de Italiaanse componist Luigi Dallapiccola toen hij hoorde dat een vrouw was veroordeeld tot zes jaar cel. Dat een mens net zolang opgesloten kon zitten als hij zelf had geleefd verbijsterde hem.

Later in zijn leven zouden thema’s als gevangenschap en vrijheid als een rode draad door zijn oeuvre lopen. Getuige onder meer de opera Il prigioniero, waarin een sadistische cipier een gevangene de ijdele hoop op vrijlating influistert, bij wijze van laatste wrede marteling. De Brusselse Munt brengt Dallapiccola’s sinistere eenakter deze maand in een double bill met Wolfgang Rihms

Inperking en vrijheid zijn een treffende metafoor voor Dallapiccola’s muzikale taal. Sinds hij in 1924 een uitvoering van Schönbergs Pierrot Lunaire bijwoonde, zou diens twaalftoonstechniek een blijvende stempel op zijn eigen componeren drukken. Kenmerkend voor Dallapiccola is dat hij van meet af aan de mazen in Schönbergs reeksensysteem zocht. Die vrijheid vertaalt zich in Il prigioniero een duister soort lyriek, met dikwijls quasi-tonale schaduwen in de harmonie en geprononceerde, breed uitwaaierende melodielijnen.

Dirigent Franck Ollu loodste het Symfonieorkest van De Munt trefzeker door Dallapiccola’s virtuoos georkestreerde caleidoscoop van spijkerharde koperfanfares, kwikzilveren klankmengsels en een constante dreiging in de laagte. Jammer dat het orkest de uitstekende zanger vaak overstemde in de stevige klankerupties.

De Oostenrijkse bariton Georg Nigl portretteerde een aangrijpende ‘Gevangene’ en was soeverein in alle registers, van een donkere laagte tot serene fluisteringen in de hoogte. Tenor John Graham-Hall leverde een sterke cipiersrol af en liet diens sadistische inborst subtiel door zijn ironisch zalvende stemgeluid schemeren.

Het beklemmende bühne-ontwerp (betonijzeren kooien, grauwe muren), compleet met een spookachtig lichtontwerp van Alexander Koppelmann, werd na de pauze hernomen in Das Gehege. Rihm baseerde het monodrama voor sopraan en orkest op het toneelstuk Schlußchor van Botho Strauß, over een vrouw die een gekooide adelaar wil bevrijden en verleiden, maar het dier uiteindelijk aan stukken rijt.

Overheerst in Strauß’ oorspronkelijke toneeltekst de politieke beeldspraak (de vermoorde adelaar als symbool een verzwakt Duitsland ten tijde van de val de Muur), Rihm zoomt in zijn partituur in op de Freudiaanse driften van ‘Die Frau’.

In een ingenieus gecomponeerde mengelmoes van giftige klankmixturen, broeierige fin-de-siècle-echo’s en een huilende windmachine zette sopraan Ángeles Blancas Gulín (voor de pauze een indringende ‘Moeder’) met verzengende uithalen en dito voordracht een waanzinnige hysterica neer.

En toch: na de zoveelste lugubere beeldspraak en oorsplijtende Schreckenfanfare wekt Das Gehege bij vlagen de indruk van een ietwat gezwollen expressionisme-pastiche.

    • Joep Christenhusz