Wanneer vindt de krant dat iemand moet vertrekken?

Inpakken en wegwezen – de vermaning lijkt aan de orde van de dag. De Amerikaanse president Trump eiste al per tweet het ontslag van sporters, tv-presentatoren en andere lastpakken. Hier liet Thierry Baudet, eveneens per tweet, weten dat weerman Gerrit Hiemstra moest worden „ontslagen”, na tegenspraak in een klimaatdiscussie. Geert Wilders eiste al pre-Trump het ontslag van een hoogleraar die een parallel zag tussen de PVV en het fascisme.

Maar, vraagt een lezer, moet een krant dat ook doen? Oftewel: „Valt actief verzoeken tot opstappen of aftreden binnen het zelfgekozen mandaat of de verantwoordelijkheid van de krant?”

Aanleiding zijn twee Commentaren, waarin na elkaar het Kamerlid Pieter Omtzigt (CDA) en de IOC-bestuurder Camiel Eurlings de wacht werd aangezegd. De eerste had, naar eigen zeggen met de beste bedoelingen, een spreker aan het woord geholpen met een verhaal dat toch weer twijfel zaait aan het onderzoek naar de ramp met MH17. Het Commentaar sprak daarop van diens „nauwelijks” te handhaven positie. Eurlings had, na een schikking met het openbaar ministerie, spijt betuigd over wat hij noemde zijn „aandeel” in een „handgemeen” met zijn ex-vriendin. De krant vond dat „de man die zijn vrouw sloeg” zijn positie moest opgeven.

Reden genoeg voor een tik op de vingers, vindt de lezer, maar aftreden? Hij rook iets van „willen scoren”, al corrigeerde het Commentaar over Eurlings „gelukkig” de smoesjes van betrokkene.

Goede, maar geen „heel simpele” vraag, zoals de lezer meent. Althans, in het algemeen geldt simpelweg: ja, commentaar staat vrij – dus een krant mag alles vinden. Nou ja, liefst binnen de marges van de Beginselen (1970), waarmee NRC Handelsblad zijn (liberale, internationale) geloofspapieren heeft afgegeven. Ook verdient een zekere consistentie aanbeveling, al is een volte face soms ook niet weg (zoals in de kwestie-Zwarte Piet: eerst voor, toen tegen).

Maar de wacht aanzeggen ligt ingewikkeld, want het ene aftreden is het andere niet. Ministers en staatssecretarissen zijn van de Kroon en zijn verantwoording verschuldigd aan het parlement. Bestuurders van bedrijven, clubs en verenigingen daarentegen zijn dat alleen aan hun leden of aandeelhouders, Kamerleden aan hun kiezers. Niet voor niets heeft NRC Geert Wilders, geen vriend van de krant (en bij de rechter veroordeeld wegens discriminatie), nog nooit opgeroepen weg te wezen.

Ik vroeg een kleine geschiedenisles bij oud-redacteur John Kroon, nu met pensioen, die jaren de spil was van de kleine groep redacteuren die de commentaren in overleg met de hoofdredactie schrijven. Hij herinnert aan het oude adagium van een van zijn voorgangers, dat het Commentaar „niet aan clubnieuws doet”. Dat betrof onder meer de pauskeuze in het Vaticaan – waar ze het volgens het seculiere avondblad vooral zelf moesten uitzoeken.

Maar zo simpel is het niet altijd, zegt Kroon, het hangt er natuurlijk vanaf wat een bestuurder heeft misdaan, en wat de argumentatie is om een kop te willen laten rollen. Hoe zat dat met Omtzigt?

Veteraan-commentator Mark Kranenburg zegt er dit over: „Er staat niet dat Omtzigt móét opstappen, er wordt geconstateerd dat hij ‘nauwelijks te handhaven’ is, ook al omdat zijn fractieleider zei dat hij fouten had gemaakt. En we schrijven tegelijk dat zijn positie, gezien de nipte Kamermeerderheid van het kabinet, ‘haast onaantastbaar’ is. Dus het is toch net wat genuanceerder.”

Niettemin, de constatering werd, uiteraard, gelezen als: weg met die man, ook al omdat het ‘nauwelijks’ in de kop veel stelliger ‘niet te handhaven’ werd – toch weer net iets minder genuanceerd. De krant had zich wat mij betreft beter kunnen beperken tot het kapittelen van Omtzigt, en de vraag of hij nog wel de juiste persoon is voor de gevoelige MH17-portefeuille, zonder zijn Kamerzetel ter discussie te stellen.

Bij Eurlings ligt de zaak weer net anders. Het IOC is niet zomaar een club, maar een internationale machtsfactor. De krant kan aan bestuurders van zulke organisaties dan gerust eisen stellen. Eurlings’ aanblijven leidde, zeker na het interview in NRC, tot groot ongemak bij sporters, die zich routinematig moeten onderwerpen aan allerlei controles; ook dat is een relevante factor.

Ik ken maar één precedent over een Kamerlid: toen Jan Marijnissen opstapte als SP-leider, maande de commentator hem om dan ook maar „zijn bankje” in de Kamer te ontruimen, en zijn opvolger Agnes Kant alle ruimte te geven. Dat stond haaks op de lijn van de krant dat een Kamerlid zijn mandaat moet uitzitten. Een lijn waar Kants opvolger Roemer vervolgens vermanend aan werd herinnerd toen híj op zijn beurt terugtrad en de Kamer meteen wilde verlaten. Marijnissen was immers ook blijven zitten, „zoals het hoort”.

Ook commentatoren zijn het kennelijk onderling wel eens oneens.

Bij bewindspersonen volgt de krant doorgaans de regel dat een oordeel over aanblijven of aftreden pas wordt geveld nadat de Kamer heeft gesproken. Alleen bij minister van Defensie Hennis Plasschaert luidde het oordeel, na een dodelijk incident met militairen in Mali, al vóór het Kamerdebat dat het „evident” was dat zij moest vertrekken. Aandringen deed de krant bij minister Verdonk, die ondanks een motie van afkeuring niet wilde opstappen. Moest wél, heette het met pesterig verdonkiaanse strengheid, want „regels zijn regels”.

Politici, openbaar bestuurders en andere gezagsdragers op de vingers tikken hoort erbij, zolang een krant als instituut een mening wil uitdragen (die niet per se de mening is van alle redacteuren). Maar de wacht aanzeggen blijft een laatste middel, dat maar het best spaarzaam kan worden ingezet, zeker in een tijd dat roepen om ontslag een machoreflex is geworden om met ideologische tegenstanders af te rekenen – en dus ook zo wordt geïnterpreteerd.

Reacties: ombudsman@nrc.nl