Verweij: ‘Op de Spelen wil ik gaan slopen’

Schaatsen

Weer kwam Koen Verweij tekort tegen Denis Joeskov. Maar hij blijft geloven in goud. „Het gaat om die ene race over drie weken.”

Koen Verweij bij de wereldbekerwedstrijd in Erfurt. „Na het OKT heb ik een flinke energiedip gehad.” Foto Erik Pasman

Terwijl de lichten doven en het publiek de Gunda Niemann Stirnemann Halle verlaat, ligt Koen Verweij als laatste schaatser naast een bankje op het middenterrein. Bij de uitgang lacht ploeggenoot Denis Joeskov voor een foto met een paar Nederlandse fans. Vlak voor Verweij staat zijn coach Kosta Poltavets, die felle armbewegingen maakt naar links en recht. Het is ruim een uur na de 1.500 meter, maar de zilveren medaillewinnaar van Sotsji gaat nog niet naar huis. „Rekken, gewoon rekken”, zegt hij na afloop over de lange sessie na zijn race. „Paar rondjes uitschaatsen, uitlopen en rekken. Zoals ik altijd doe.”

Verweij (27) lacht als hij de tunnel onder het ijs uitkomt. Onkwetsbaarheid straalt hij uit. De lange blonde lokken wapperen, een blakend lichaam van louter spierkabels. Toch heeft hij een uur eerder de 1.500 meter bij de wereldbeker kansloos verloren in een rechtstreeks duel met Joeskov. Zijn Russische ploeggenoot bleef in 1.45,33 alweer voor de zesde keer dit seizoen ongeslagen, inclusief een wereldrecord (1.41,02) en de Europese titel begin januari. De reeks klasseringen die Verweij daartegenover zet? 4-9-2-2-3 en vrijdagmiddag in Erfurt een vierde plaats in 1.46,36. Een nieuwe klap? „Welnee. Laat hem dit nu doen. De Spelen zijn over drie weken. Dan wil ik gaan slopen.”

Vooraf had hij de wereldbeker in Erfurt al aangeduid als niet meer dan een „trainingsrace”. En inderdaad: niet veel publiek op de kleine tribunetjes, weinig sponsornamen op de reclameborden langs het ijs en drie weken voor de Spelen van Pyeongchang veel ontbrekende toppers uit de VS, Azië en Nederland, waar onder meer Sven Kramer en Jorrit Bergsma de voorkeur geven aan een trainingskamp boven een laatste wedstrijd. Kjeld Nuis startte wel op de 500 meter (winst in de B-groep) maar zag af van een duel op de 1.500 meter met Joeskov en Verweij, die hij bij het OKT in een titanenduel nog nipt had verslagen.

Van de schaatsers die er wel waren reden de Noren opvallend goed, met een tweede plaats voor kopman Sverre Lunde Pedersen (1.45,76) en drie man bij de eerste zes. De 21-jarige Marcel Bosker haalde voor het eerst het podium: derde. Maar vooral viel weer het gemak op waarmee Joeskov zijn tegenstander Verweij opnieuw de baas bleef. Tot de 700 meter ging het gelijk op, toen gaf de Rus zichtbaar wat gas bij en was de strijd beslist. „Dat rondje was niet zo heel goed”, gaf Verweij na afloop toe. „Maar ik stond er van te kijken hoe makkelijk de opening kwam. En het eerste rondje was ook prima.”

Zie ze na hun race op het bankje zitten, een metertje uit elkaar. Joeskov, net als alle Russen nog in onzekerheid over deelname aan de Spelen maar in de vorm van zijn leven. Verweij die dit seizoen bezig is aan een opzienbarende comeback maar toch steeds nog iets tekort komt voor winst. Ze stuwden elkaar in trainingen naar topniveau onder leiding van coach Poltavets, die ook nog niet weet of hij straks in Gangneung op het ijs mag staan. Verweij spreekt steeds de hoop uit dat zijn Russische teamgenoten niet worden geschorst voor de Spelen. „Ik ben tevreden met deze setting, met de mensen om me heen.”

0,003 seconde kwam hij in Sotsji tekort voor goud tegen de Poolse brandweerman Brodka. Over drie weken moet en zal het wel lukken. Maar kan het, als hij dan de ongenaakbare Joeskov treft? Of duidden zijn lange gesprekken met Poltavets na afloop in Erfurt op twijfel? „Na het OKT heb ik een flinke energiedip gehad”, zegt Verweij. „Nu heb ik weer goed getraind. Dat doen de meesten nu niet meer. Ik wel. Met het EK zat ik er twee seconden achter Denis, nu nog één.”

Maar van zijn teamgenoot winnen? „Ik vind het prima dat hij alles wint. Het gaat om die ene race over drie weken. Dan moet je het doen. Dat is een heel andere wedstrijd, met een heel andere spanning. Ik denk dat ik er op de Spelen sta.”

    • Maarten Scholten