Opinie

    • Hugo Camps

Dokkum

Aan Wikipedia vroeg ik een lijstje van zwarte schaatsers. Het antwoord: „Bedoelde u zwarte schaatsen?” IJzers zijn de mens voorgegaan. Discriminatie ligt soms in een klein hoekje. Schaatsen is een vrijwel exclusief witte sport, en dat is jammer. Ik weet ook wel dat een zwarte Amerikaan olympisch kampioen is geworden, maar representatief was het niet. In alle wedstrijden die er toe doen strijdt wit tegen wit. Alsof je in een Friese koeienstal moet geboren zijn om schaatskampioen te worden.

Er zijn natuurlijk nog sporten met een kleurmonopolie. Boksen in Amerika is de verhevigde versie van de Bronx. Ali, Foreman, Tyson, Sugar Ray Robinson … Koningen van het canvas. Een handvol witten nam sporadisch de macht over.

Atletiek is in Nederland meer verkleurd. Vooral door de langeafstandslopers, al is ook sprinter Churandy Martina even zwart als Usain Bolt. Darts? Witte enclave. Op een enkele exoot na is het internationale wielrennen ook zo wit als papier. Enkele Japanners doen voorzichtig hun intrede en in de grote rondes maakt een worp Colombianen mede het mooie weer, verder telt het peloton twee zwarte renners.

Sport is dus allesbehalve een afspiegeling van de maatschappij. De schaatspodia in Pyeongchang zullen kinderen van Witte Reus zijn. Hollands zelfs. Als kleurenmozaïek verschilt het schaatsen niet veel van veldrijden, zij het dat ijs internationaler is dan een wei.

Meer dan de Zomerspelen reserveren de Winterspelen de glorie voor witte mannen en Aziaten. De Afrikaanse natuur en cultuur zijn niet schaatsvriendelijk, al kan Thialf even goed in Mozambique staan als in Friesland. Alleen niemand vraagt erom.

Alle schaatskampioenen zijn van het type Sven Kramer. Robuuste gezonde kerels wel met ambities die tot in de eeuwigheid reiken. De vrouwen hebben dijen als Michelinbanden.

Schaatsen in Nederland is meer cultuur dan sport. Over vijftig jaar wordt er in Heerenveen nog steeds geschaatst, tenminste als ijs dan nog bestaat. Schaatsen is snelheid en techniek met een vleugje romantiek en voor de liefhebbers is het een massafeest. Zelf word ik nog steeds zenuwachtig van dat gepruts met tijden, maar Sven Kramer in een bocht zien hangen, heeft wel een esthetische afdronk. Het is niet pure krachtpatserij. De acrobatie van shorttracker Sjinkie Knegt is zelfs superieur aan de zwaartekracht. Shorttrack heeft de onnozelheid van curling, maar goud is goud op Olympische Spelen.

De schaatssport heeft van oudsher koninklijke belangstelling. Misschien ook omdat schaatsen de sport is die het dichtst bij religie staat. Of omdat ijs de suggestie van gezelligheid wekt. In Sotsji was het Heineken-huis even de open haard van de wereld. Poetin en Willem-Alexander hadden het erg naar hun zin.

Pyeongchang lijkt me minder geschikt als diplomatieke balzaal. Toch zal de Nederlandse schaatswereld massaal uitrukken naar Zuid-Korea. NOC*NSF zal als een voetbalelftallen rond de podia zwermen. Zij hebben na de soap van Camiel enig prestige terug te winnen. Over Nederland valt even een tweedeling. Het zuiden heeft carnaval, het noorden schaatsen. In folklore en beleving scheelt het weinig. In beide gevallen komt de fanfare van het platteland. Want op het ijs is alles afgeleid van die ene grote wedstrijd, de Elfstedentocht. Zelfs het sprinten. Hoe allround ze ook mogen zijn, Sven Kramer en Ireen Wüst, bij iedere klap van hun schaatsen doemt de Tocht der Tochten op. Dokkum wenkt.

Hugo Camps is journalist, columnist en schrijver.
    • Hugo Camps