Brieven

Ballen bij recensies

Wat is er mis met de schaal van 1 tot 10?

Het variabele aantal ballen bij recensies suggereert sterk dat daar een kwantitatieve manier van waarderen aan ten grondslag ligt. Die suggestie lijkt echter niet te sporen met de kwalitatieve omschrijvingen van het aantal ballen (Ombudsman, NRC schaft de ballen niet af, maar moet waken voor fixatie, 13/1).

Ik krijg het idee dat de waarderingen met ballen en de bijbehorende omschrijvingen op twee gedachten hinken: een objectieve op basis van een lineair toenemend aantal ballen en een subjectieve die meer is gebaseerd op de gevoelens van de recensent. Ik begrijp dat het een service aan de lezer is om het zo te doen en dat het niet de bedoeling is dit al te serieus te nemen, maar als ik op mijn eigen reacties afga dan hebben de ballen wel degelijk een effect: bij één of twee ballen ben ik veel minder geneigd om de recensie nog verder te lezen.

Het valt me ook op dat het ballensysteem (of iets vergelijkbaars) niet alleen bij kranten en bladen in gebruik is, maar ook op andere terreinen zijn ingang heeft gevonden. Bij het universitaire onderwijs bijvoorbeeld – waar ik beroepshalve het meest mee te maken heb – wordt het ‘ballensysteem’ steeds meer in gebruik genomen; zelfs bij exacte opleidingen. Ook hier worden de beoordelingen van studenten in slechts vier à vijf categorieën ingedeeld en lijken de overgangen tussen de beoordelingen niet lineair te zijn. Ik geef een voorbeeld met vier kwalificaties uit mijn eigen ervaring: onvoldoende (cijfer lager dan 6,0), voldoende (cijfer tussen 6,0 en 7,0), goed (cijfer tussen 7,1 en 8,4), excellent (cijfer 8,5 of hoger). Tussen onvoldoende en voldoende ligt een hele wereld van verschillende onvoldoendes; en ook hier wordt de kwalificatie „ruim voldoende” genegeerd, terwijl de meeste studenten in deze categorie zullen vallen. Bovendien strookt de kwalificatie ‘goed’ niet met cijfers laag in de zeven (7,1 tot zeg 7,7).

Wat is er toch mis met een schaal van 1 tot 10 met standaardomschrijvingen? Ik weet het, het is het cijfersysteem van de lagere en middelbare school van de jaren vijftig en zestig, maar ik kan er soms echt naar terug verlangen.

‘Beeldenstorm’

Stoplichtdiscussie

Als we door professor Emmer worden aangeraden het koloniale erfgoed in zijn eigen tijd te zien, moeten we dat ook met het huidige debat doen. Het is namelijk niet meer geaccepteerd plegers van genocide of slavendrijvers te vereren. ‘Plaatsen van herinnering’ zoals een standbeeld bestaan dan ook alleen bij de gratie van de herinnering.

Als die herinnering verandert, verandert de plaats mee. Dit houdt niet in dat die plaats vervolgens uitgewist moet worden, laat staan verwoest. In het debat miste ik de vraag wat er vervolgens met die beelden en namen moet gebeuren.

Voorstanders van het laten staan, menen dat tekstbordjes voldoende aanvulling zijn om te leren over het koloniale verleden. Maar ik ben erg benieuwd naar de spontane discussies bij het stoplicht in de J.P. Coenstraat.

Plaats ze in een museum en je hebt alle ruimte écht uitgebreide context te bieden. Bijvoorbeeld in het Rijksmuseum, of in het Tropenmuseum, of beter nog; richt eindelijk dat slavernijmuseum op!

Stormschade

Muurankers

Dat er platte daken zijn weggewaaid wordt natuurlijk veroorzaakt door de kracht van de storm. Maar dat ze weg konden waaien is een ernstige bouwfout van de architecten en/of de aannemers.

Die zijn vergeten om zogenaamde muurankers aan te brengen. Die muurankers bevestigen de dakbalken aan de muren, zodat ze niet omhoog kunnen waaien. En als ze omhoog zouden willen, moeten ze de muur meenemen. En daar is de storm niet sterk genoeg voor.

Het verdient aanbeveling om alle huizen of flats met platte daken te inspecteren op aanwezigheid van deze muurankers. Dan is er minder schade bij de volgende storm.

    • Fred Boogerd
    • Liesje Wanders
    • Gerard de Boer