Brieven

Woordhoek Chocola maken van juridisch proza

In zijn column schenkt Ewoud Sanders aandacht aan de recent verschenen biografie van Jacob van Lennep door Marita Mathijsen (Jacob van Lennep, circusartiest van de taal, 17/1). Hij maakt daarin melding van de ‘hertaling’ door Van Lennep van de Grondwet van 1840. Zelfs deze „circusartiest van de taal” moest bij zijn streven om de inhoud van art. 129 in begrijpelijk Nederlands weer te geven de handdoek in de ring gooien. In de woorden van Van Lennep: „Ik heb de taak der overzetting van dit artikel, na herhaalde pogingen, moeten opgeven, en wel om de zeer eenvoudige reden, dat ik het nooit heb verstaan en nog niet versta.”

Raadpleging van het desbetreffende wetsartikel – en met name van het eerste lid daarvan – kan slechts leiden tot begrip voor de verzuchting van de gekwelde auteur. De letterlijke tekst luidt: ‘In elke provincie maken de edelen of een lichaam van ridderschap uit of niet, naar mate zulks het voegelijks geoordeeld wordt.” Wie hier chocola van kan maken mag het zeggen.

Merkwaardig genoeg kwam de tekst ook al voor in de Grondwet van 1815. Kennelijk heeft men al die jaren met deze formulering geen moeite gehad. Kennisneming van de Franstalige versie van deze bepaling schept meer duidelijkheid. Ik kan me niet goed voorstellen dat Van Lennep deze Franse versie niet gekend heeft, wellicht kwam het hem goed uit om toch expliciet te laten blijken hoe weinig hij op had met het kromme juridische proza waaraan wetgeving soms lijdt.