Broers Hans (links) en Wim Anker, advocaten: een groeiend deel van de bevolking schiet eerst en tekent dan pas de roos.

Foto's Merlijn Doomernik

‘We gaan nog een aantal jaren knallen’

Gebroeders Anker

Hans en Wim Anker, advocaten te Leeuwarden, zijn bijna 65. ‘Het heeft legio voordelen om een tweeling te zijn, maar het nadeel is: je hebt altijd een meetlat naast je liggen.’

Melk, margarine, pindakaas, worst, jam. Een boterham op kantoor en dan naar het café. Zo hadden ze het bedacht en zo gebeurt het. Ze zitten naast elkaar aan tafel, wij tegenover hen en we zoeken naar de verschillen. Is Hans vrolijker? Wim dominanter? We vragen of ze meer broers en zusters hebben.

Hans: „Jawel, jawel.”

Wim: „We hebben een broer in Dokkum. Die is gepensioneerd klinisch-chemicus.”

Hans: „Een heel andere wereld.”

Wim: „En een zus in Marum. Zij deed de sociale academie.”

Hans: „De een is van 1944 en de ander van 1946. Ze trokken meer met elkaar op dan met ons. En wij trokken altijd naar elkaar, dat vonden ze weleens lastig. Wij zijn gelijkgericht, denkend, handelend, voelend en van ’s morgens tot ’s nachts min of meer bijeen. Overigens waren we beduidend jonger dan onze broer en zus. Wij zijn van 1953.”

Wim: „Onze moeder was al 40. De huisarts had tegen pa gezegd: bereidt u zich voor op een kind dat niet goed is. Hij was burgemeester op Schiermonnikoog. Tijdens een raadsvergadering werd hij gebeld vanuit het ziekenhuis te Leeuwarden: het zijn er twee.”

Hans: „We hebben tijden in de couveuse gelegen.”

Wim: „Jij. Jij hebt in de couveuse gelegen.”

Hans: „Maar jij lag ernaast.”

Wim: „Op Schiermonnikoog horen we wel de grap dat de burgemeester er toen twee had die niet goed waren.” Ze komen er nog elk jaar. Hotel Van der Werff.

In 1956 werd hun vader burgemeester van Utingeradeel, in Friesland. Ze verhuisden naar Akkrum, bij Heerenveen, en daar woont Hans nog steeds, met zijn vrouw en twee zoons. Wim woonde er tot voor kort ook, maar nu woont hij in Skingen, richting Franeker. Dat hij het dorp ooit zou verlaten, is het laatste wat hij gedacht had. En ook het laatste wat Hans gedacht had. Waarom heeft hij het dan toch gedaan?

Wim: „Ik ben eh… uiteindelijk eh… gescheiden van mijn vrouw. Een paar jaar geleden heb ik een journaliste ontmoet van de Leeuwarder Courant, ze schreef in die tijd met hart en ziel over veiligheid en justitie. Ik vond haar sprankelend, slim en, letterlijk, aantrekkelijk.”

Hans: „Onze liefhebberijen, het verenigingsleven waar we zeer intensief bij betrokken zijn en dat we ook organiseren, alles is in Akkrum, dus toen mijn broer eh…”

Verliefd werd op een andere vrouw?

Hans: „…ging verhuizen, moest ik wel even slikken.”

Wim kon niet in Akkrum blijven?

Hans: „Niet verstandig. Dochter Marlies woont daar ook. Wim en zijn partner wilden een onbelaste start.”

Wim: „Voor mij was het een sprong van de vloer op de zolder. Maar ik ben heel blij waar ik nu zit. We hebben een boerderij gekocht.”

Hans: „Mooie boerderij. Mooi plekje.”

We vragen wat Hans ervan vindt dat zijn broer gescheiden is.

Hans: „Zoiets is altijd ellendig en verdrietig. Maar de manier waarop hij het met zijn ex gedaan heeft, samen één advocaat, geen polarisatie – het had veel erger gekund.”

Wim: „Het gaat goed met mijn dochter. Ze komt zo nu en dan op de boerderij. Met de zoons van Jantien gaat het ook goed. Die zijn nu 20 en 17. Ze wonen om de week bij ons.”

Als Hans door ziekte moet stoppen, stop ik drie seconden later

Is het voor het eerst dat Wim een andere weg inslaat?

Hans: „Nee. Ik antwoord nu even voor mijn broer. Hij heeft een paar jaar in Den Haag gewoond, na onze studie. We wilden de advocatuur in, maar er waren geen vacatures. Toen ben ik leraar aan de meao geworden. En Wim ging naar het ministerie van Justitie.”

Wim: „Daar was ik topambtenaar.”

Hans: „Dat heb je weleens beweerd, ja. Mijn analyse is dat de afdeling werd opgeheven toen jij vertrok. Dan mogen jullie” – hij kijkt naar ons – „je conclusie trekken.”

Wim: „Feitelijk klopt het verhaal van Hans, want ik werkte vanaf 1977 op de afdeling voorwaardelijke invrijheidstelling van gedetineerden, en in 1981, toen ik terugging naar Friesland, kregen we de automatische vervroegde invrijheidstelling. Mijn afdeling was niet meer nodig.”

Hans: „Ik had in 1979 een baan als advocaat gevonden. Toen er nog een vacature kwam, heb ik Wim daar meteen op geattendeerd.”

Maar die verhuizing naar Den Haag…

Wim: „Voelde als een amputatie. Het was de eerste keer dat we niet meer altijd samen waren. Ik woonde daar met mijn eerste vrouw en eh…”

Je was al eerder eens gescheiden?

Wim: „Ja, ja, in 1984. Privé heb ik wat meer deining gehad dan Hans.”

Hans: „Dat heeft ons wel beïnvloed. Ik bedoel, er zijn nog steeds legio mensen die ons niet uit elkaar kunnen houden. Maar vroeger waren we identiek. Nu is dat iets minder.”

Wim: „Ik moest proberen wortel te schieten in Den Haag. Voor Hans bleef alles bij het oude.”

Hans: „In een dorp heb je heel andere gewoonten dan in een stad. Alleen al het contact met de buren. Wim, die een portiekwoning betrok, belde de eerste dag bij ze aan: even voorstellen.”

Wim: „Ik ben de nieuwe bewoner, even een korte toelichting…”

Bij drie van de vier buren was de voordeur niet verder dan een kier opengegaan. De broers kunnen er nog steeds hartelijk om lachen.

Tijdens hun studie, in Groningen, woonden ze ook bij elkaar. Ze volgden exact dezelfde vakken. Wim: „Hans had in de regel net iets hogere cijfers. Hij is ook, een ergernis voor mij, cum laude afgestudeerd. Dat moet ik hier op kantoor nog vrij vaak horen. Als er een nieuwe en complexe zaak binnenkomt, gaat meteen dat vingertje omhoog.”

Hans: „En dan zeg ik: dat lijkt me iets voor iemand die cum laude is afgestudeerd.” Hij lacht. „Wim had ook bijna cum laude, hoor.”

Wim: „Ik kwam een duizendste punt te kort.”

In 1991 vestigden ze zich als strafrechtadvocaten binnen een groter kantoor in Leeuwarden, sinds 1999 zijn ze zelfstandig. Ze zijn bekend door het grote aantal geruchtmakende zaken dat ze gedaan hebben. De moord op Gerrit Jan Heijn. De nieuwjaarsbrand in Volendam. De zaak van Albert Heringa, die zijn 99-jarige moeder hielp bij zelfdoding. De Groninger HIV-zaak, waarbij slachtoffers opzettelijk werden besmet. De moord op de 12-jarige Milly Boele door de buurman, een politieagent.

De broers staan iedereen bij, hoe gruwelijk de verdenkingen ook zijn. Daar zijn ze principieel in. Wim Anker deed ook, met een kantoorgenoot, de verdediging van Robert M., die tientallen kinderen seksueel misbruikte.

Hun kantoor is in een oud pand op de Ossekop. Saskia van Uylenburgh, de vrouw van Rembrandt, is er geboren. De broers willen er nooit meer weg, al zou een kantoor in Amersfoort of Amsterdam handiger zijn. Nu zijn ze bijna alle dagen onderweg, ze pleiten in het hele land. Ze hebben vier chauffeurs tot hun beschikking, wat deftiger klinkt dan het is, want Anker & Anker (zes advocaten) doet merendeels pro-Deozaken en zo goed gaat het niet met de pro-Deoadvocatuur.

Wim: „Ongeacht de kleur van het kabinet wordt er al jaren ernstig bezuinigd op de financiering van de rechtshulp, ten koste van de zwakkeren in de samenleving. Schande.”

Hans: „Het wordt tijd om de noodklok te luiden.”

Ze maken mee dat bepaalde strafrechtadvocaten uit het Westen, types die zij cowboys noemen, in de auto springen en naar Leeuwarden roetsjen als daar een interessante verdachte is aangehouden. Die dringen het politiebureau binnen en zeggen dat zij de nieuwe advocaat zijn. Terwijl de verdachte de Ankers al had gebeld.

Wim: „De Orde van Advocaten zou daar…”

Hans: „…streng…”

Wim: „…tegen op moeten treden, want het gaat ten koste van de waardigheid van het beroep.”

Om rond te komen geven ze lezingen over hun werk, met borrel na, en cursussen strafrecht aan collega-advocaten, ook met borrel na. Sinds twee jaar zijn daar de theatercolleges bijgekomen, voor het grote publiek. Maar die doet Wim alleen.

Hans: „Ik hoef niet op het grote podium te staan. Ik geef liever lezingen in het café.”

Wim: „Eerst behandel ik onze principiële uitgangspunten, gelardeerd met beelden uit documentaires die over ons kantoor gemaakt zijn. Daarna zeg ik: dames en heren, ik steek nu de thermometer in de democratische rechtsstaat Nederland en stel vast dat deze koorts heeft. Zo kom ik op de onderwerpen levenslang en tbs en de verharding van de standpunten dienaangaande, ook in de politiek. Ik behandel het zich uitbreidende spreekrecht van slachtoffers en nabestaanden, ten nadele van de verdachte, en de te grote waarde die er aan dna-matches wordt toegekend. Tot slot de toenemende macht van het OM dat in meer dan 50 procent van de gevallen de beslissingen neemt in strafzaken. Boem, pauze. Discussie, borrel. Vaak ben ik pas om twee uur ’s nachts thuis.”

Hans: „In het begin vroeg ik me af of Wim wel volle zalen zou trekken, want advocatuur…”

Wim: „Heb je aan me getwijfeld?”

Hans: „Nee, nee, maar advocatuur is niet het meest populaire beroep en…”

Wim: „Ik voel dat je iets positiefs over me gaat zeggen.”

Hans: „…als je dan ziet hoe het gaat. In Leeuwarden waren er iets van achthonderd mensen.”

Wim: „Achthonderdvijftig.”

Hans: „Dan denk je: het voorziet kennelijk in een behoefte. Er komen veel jonge mensen op af. Studenten.”

Wim: „De doorbraak was in Den Haag, Koninklijke Schouwburg. Ik geef toe dat ik tevoren gebeld heb: hoe loopt het? Dat vond men wel apart, artiesten doen dat niet. Ze zeiden: uitverkocht. Toen zei ik tegen Jantien: dan ga ik ook naar Heerlen en Terneuzen.”

Sinds 1991 doet Wim de perscontacten, Hans het personeel. Wim: „De verdeling is gebaseerd op onze karakters. Hans is organisatorisch beter. En mentaal sterker.”

Mentaal sterker?

Wim: „Dat is gebleken. In de 36 jaar dat ik advocaat ben, ben ik er drie keer langdurig uit geweest. Bij ieder theatercollege zeg ik: de kracht is Anker & Anker. Als het Anker was geweest, had ik hier niet gestaan. Als Hans door ziekte moet stoppen, stop ik drie seconden later.”

Vindt Hans ook dat hij sterker is?

Hans: „Als Wim het zegt… Maar ik heb nooit een burn-out gehad, of hoe noem je dat.”

Wim tekent twee denkbeeldige lijnen in de lucht, de ene zacht golvend, de andere woest. „Dat is het verschil. In een van de theatercolleges werd me eens gevraagd hoe dat komt en toen zei ik: de tegenwind uit de samenleving, het roeien tegen de stroom in, hetgeen wij dagelijks doen. Hans gaat daar beter mee om. Hij is een zeehond, zei ik. Een paar mensen begonnen te grinniken, wat ik begreep. Ik zei: hij schudt met zijn kop en het water is weg. Ik ben de poes die bij een regenbui naar binnen vlucht. Het heeft legio voordelen om een tweeling te zijn, maar het nadeel is: je hebt altijd een meetlat naast je liggen.”

Hans: „Het nadeel voor mij is dat iedereen dan zegt…” Hij gaat verder in het Fries. „Fries is de tweede rijkstaal, dames. Ik zei dat iedereen naar die andere Anker vraagt als Wim eruit vliegt.” Hij staat op om koffie te halen. „Sûker en molke, dames?”

Als hij terug is, beginnen ze over hun vakanties in Slenaken, Zuid-Limburg. Ze waren zes toen ze er voor het eerst naartoe gingen, met hun ouders. Ze gingen er nog heen toen hun ouders in de tachtig waren, en nu die dood zijn gaan ze nog steeds, volgend jaar voor de zestigste keer. De gemeenteraad besloot vorig jaar dat het plein tegenover het hotel voortaan de Ankerplaats heette. Er was een feestelijke onthulling, in aanwezigheid van de pastoor en de burgemeester en twee wethouders. De broers werden opgehaald met de fanfare. Wim: „Dat je zo als Friezen in een kleine katholieke gemeenschap bent opgenomen, dat heeft ons…”

Met Oud en Nieuw kwamen de dorpsbewoners bij ons de oprit op met dooie hazen en fazanten

Hans: „…wel wat gedaan. Er werd ook een plaquette onthuld.”

Wim: „We waren zeer vereerd.”

We zeggen dat Hans er een paar jaar geleden ook een keer langdurig uit is geweest.

Hans: „Negen maanden, ja. Beide enkels waren verbrijzeld.”

Wim: „Je lag op bed en je kon niks. Je moest door drie, vier mensen getild worden. Toen heb jij wel gedacht: nu gaat Wim er ook uit.”

Hans: „Dat is wel door mijn hoofd gegaan, ja.”

Wim: „Menigeen op kantoor dacht dat ook.”

In die tijd, zeggen wij, ging Wim op vrijersvoeten.

Hans: „Naar aanleiding van dit gesprek zal ik de groene tijdschrijfformulieren eens gaan halen en bekijken hoe jij in dat jaar aan je uren gekomen bent, Wim. En of daar ook gaten in zitten.”

Wim: „Voor mij was het een overwinning dat ik niet onderuitging. En dat komt denk ik wel eh… door eh… Jantien, ja. Dat ik het gered heb komt door haar. Mede door haar.”

Hoe breekt iemand beide enkels?

Hans: „Verbrijzeld. Ze waren verbrijzeld. De chirurg zei: dit letsel zien we alleen bij mensen die van een flat gesprongen zijn. Of bij parachutespringers die verkeerd terechtkomen.”

Dus hoe kwam het?

„We hadden een circus georganiseerd in het dorp en daarna hadden we nagezeten in het café. We gingen op de fiets naar huis en toen…”

Wim: „Hans heeft al zijn hele leven reuma en hij zat achterop bij iemand en toen klapten jullie achterover op een brug. Jij met je benen vooruit, en de man die fietste, een grote man, viel boven op jouw benen. Het was niet om aan te zien.”

Hans: „Eerder dan iedereen voor mogelijk hield ben ik weer aan het werk gegaan. Het gebeurde eind 2013 en in augustus 2014 had ik mijn eerste zitting weer. Ik liep nog op krukken.”

Wim: „Zeg maar eerlijk wat je in die periode weleens gezegd hebt. Je zei: maar goed dat ík dit heb en niet mijn broer.”

Hans: „In een iets andere formulering heb ik gezegd dat ik in de regel wat optimistischer ben dan Wim. Als een van ons tweeën dit moest hebben, dan ik, want Wim heeft nog wel eens de neiging om weg te zakken.”

En is dat dan een burn-out of een depressie?

Wim: „Moeilijk vast te stellen. Het heeft altijd ook met privézaken te maken, maar waar ik onder bezwijk, is het grote aantal zaken. Te weinig rem, te weinig grenzen, te consciëntieus, te serieus. En het belangrijkste, en dat is me niet door de gedragsdeskundige gezegd die ik de laatste keer in de arm had genomen maar door Hans: ik geniet niet van de goede resultaten die ik ook heb. Na een positieve uitspraak ga ik direct weer over tot de orde van de dag. En als ik een uitspraak krijg van twintig jaar of, zoals ik zes keer heb meegemaakt, levenslang, dan ben ik dagen…”

Hans: „… van slag.”

Wim: „En soms langer. Hans heeft geen witte jas aan, maar hij zei: je staat nooit stil bij de mooie momenten. Hij zei: euforie moet je per direct vieren. Je kunt niet op dinsdagmiddag denken: daar ga ik vrijdag een borreltje op drinken. Je gaat niet pas na twintig minuten juichen als Heerenveen gescoord heeft.”

Hans: „Ik heb ook gezegd dat je te veel uitzichtloze… nou ja, dat is niet goed geformuleerd. Ik bedoel: Wim had wel heel veel tbs’ers en langgestraften, en ik zei: je moet je praktijk anders inrichten. Dat je ook eens wat zaken bij de politierechter of de kinderrechter hebt.”

Wim: „Hij zei: je bent altijd maar bezig met de balans van Vrouwe Justitia, dat haar hand niet uitschiet, maar jouw eigen weegschaal is in onbalans. Die tips heb ik ter harte genomen.”

Ze vertellen over hun vader de burgemeester, die dominee had willen worden, maar geen kans kreeg om te studeren. Hij heeft hun, zeggen ze, gevoel voor ethiek en integriteit bijgebracht. Wim: „Met Oud en Nieuw kwamen de dorpsbewoners bij ons de oprit op met dooie hazen en fazanten.”

Hans: „En heel veel flessen drank.”

Wim: „Pa stuurde alles terug. En dan zei hij: volgende week komen ze voor een bouwvergunning. Wij vonden dat wel vervelend.”

Hans: „Wij zeiden: dat zijn toch mooie geschenken, pa.”

Wim: „Nu begrijpen we het. Wij willen nooit de schijn van. Nooit de kans op.”

Hans: „Als iemand hier roept: prachtige zaak, geweldig, dit gaan we doen, dan zeg ik: ho, ho, ho. Wie is het slachtoffer? Wie zijn de nabestaanden? Hebben we er connecties mee? Dan is het: nee.”

Wim, lezend in de aantekeningen die hij voor dit gesprek gemaakt heeft: „Wij zijn opgevoed met: feiten verzamelen, dan een conclusie trekken. Pa zei ook altijd: hoor en wederhoor. Oordeel niet en veroordeel niet. En dan kom ik op het punt van onze zorgen over de samenleving. Als ik de reacties beluister op onze verdediging van Robert M. en de meer dan duizend mails bezie die ons gestuurd werden, meestal ’s nachts, dan zeg ik: een groeiend deel van de bevolking schiet eerst en tekent dan pas de roos. Als ze dat laatste al doen. Direct en impulsief. Boem.”

Hans: „We hadden ons er wel op voorbereid.”

Wim: „Maar niet op de omvang.”

Hans: „Niet op de doodsbedreigingen.”

In februari worden jullie 65. Gaan jullie stoppen?

Wim: „Nee, we gaan nog een aantal jaren knallen. Binnenkort gaan we wel uit de maatschap en dan wordt de kar getrokken door de overblijvende maten. Hans heeft fysiek in de kreukels gelegen, maar mentaal is hij ongebroken. En ik voel me ook zodanig dat ik denk: ik wil door. We hebben wel afgesproken: als we bij elkaar een vervlakking zien, minder dynamiek, minder sprankeling, dan spreken we dat direct uit. Je kunt dit werk alleen doen als je alles geeft.”

Maar Hans, zeggen wij, heeft drie keer niet zien aankomen dat Wim overspannen raakte.

Hans: „Dat is zo.”

Wim: „Ik zag het zelf ook nooit aankomen. De eerste keer merkte ik het omdat ik de ondertiteling op de televisie niet meer goed kon volgen. De tweede keer had ik moeite met de letters van de Leeuwarder Courant. De volgende ochtend kon ik geen dossier meer lezen. Ik had een enorme druk in mijn hoofd, aan één kant, verschrikkelijk. Je bent gewoon uitgeschakeld.”

Hans: „De derde keer, in 2005, heb ik na enige tijd tegen Wim gezegd: je moet weer aan het werk. Thuisblijven en rust houden, daar wordt het alleen maar erger van.”

Wim: „Ik moest fietsen en vissen en wandelen, en ik heb het allemaal gedaan…”

Hans: „…en je zakte steeds verder weg. Ik zei: kom nou maar gewoon elke dag een paar uur op therapeutische basis naar kantoor en dan zien we wel hoe het loopt. Dat heeft hij gedaan en toen is het weer goedgekomen.”