opinie

Waarom ik ontslag neem bij de universiteit

De universiteit gaat aan marktdenken ten onder, schrijft universitair docent . Hij maakt dat hij wegkomt.

Illustratie: Hajo

Lenin noemde het deserteren van tsaristische soldaten tijdens de Eerste Wereldoorlog ‘stemmen met de voeten’. Ik heb zojuist ook met mijn voeten gestemd en met een eenregelige e-mail mijn riante baan aan de universiteit opgezegd.

Mijn ontslagname is zoals alle deserties een combinatie van afstoting en aantrekking. De aantrekkingskracht van de plaats waar ik naartoe wil is gelukkig groter dan de afstotende werking van de plaats waar ik niet meer wil zijn: ik zie ernaar uit om mijn brood te gaan verdienen met lezingen, stukken voor de krant en het schrijven van boeken. Dat neemt niet weg dat mijn vaandelvlucht net als de desertie van de tsaristische soldaten ontegenzeggelijk ook het aspect heeft van maken dat je wegkomt. Als ik buitengewoon tevreden zou zijn geweest met hoe het er tegenwoordig op Nederlandse universiteiten, in het bijzonder de letterenfaculteiten, aan toe gaat, of zelfs maar geloofd zou hebben dat het zin had op een andere manier dan met mijn voeten te stemmen, dan was ik niet op het idee gekomen te deserteren.

Omdat mijn universiteit, de Rijksuniversiteit Groningen, niet aan exit-gesprekken doet, wil ik in dit stuk uiteenzetten wat mij bewogen heeft – al was het maar omdat mijn situatie verre van uniek is. Misschien bezit die ook enige relevantie voor al die andere non-profit instellingen die een neoliberaal bestuursmodel hebben omarmd.

Want dat is wat de universiteiten hebben gedaan. Dat neoliberale bestuursmodel, ook bekend onder de naam New Public Management, heeft volgens bestuurskundigen drie kenmerken: geloof in marktwerking, geloof in deregulering en geloof in sterk leiderschap. Uit eigen waarneming kan ik vaststellen dat van minder regelgeving geen sprake is en dat ‘sterk leiderschap’ doorgaans niet meer om het lijf heeft dan een top down-managementstructuur. Blijft over: marktwerking.

Er is een panische angst studenten te verliezen – elke afhakende student betekent kapitaalvernietiging.

Het geloof in de markt komt op mijn universiteit niet alleen tot uiting in een uitwas als de poging een filiaal te beginnen in het Chinese Yantai, maar ook in het feit dat ik de afgelopen weken geacht werd in het Engels college te geven aan een zaal vol studenten die zonder uitzondering de Nederlandse taal machtig waren. Voor de export werken – buitenlandse studenten trekken – is officieel beleid. Die buitenlandse studenten moeten het geld in het laatje brengen dat nodig is om te overleven. Of, nauwkeuriger: om minimaal de omvang te houden die de universiteit nu heeft en liefst nog een stukje te groeien.

Het neoliberalisme beheerst de kunst de dingen zo te regelen dat er alleen aan getornd kan worden door in eigen vlees te snijden. De universiteiten worden grotendeels gefinancierd met een budgetteringssysteem dat ‘outputfinanciering’ genoemd wordt. Universiteiten ‘produceren’ studiepunten en degrees die worden ‘geconsumeerd’ door studenten. Hoe meer studiepunten studenten ‘afnemen’ en hoe meer bachelors en masters de poort verlaten, hoe groter, kortom, de ‘output’, hoe meer geld de faculteiten krijgen. Tornen aan dit marktmodel, en de nadruk leggen op kwaliteit in plaats van output, betekent onherroepelijk minder geld en, uiteindelijk, het ontslag van stafleden.

Mijn collega’s en ik steken ons hoofd er het liefst voor in het zand, maar het feit dat onze banen in het geding zijn maakt ons ondanks al ons gesputter en gespartel tot willige uitvoerders van het marktmodel. In bètafaculteiten is de angst voor baanverlies misschien niet zo’n probleem, maar in letterenfaculteiten leidt hij vroeg of laat tot inteelt en stagnatie. De reden is simpel: het kapitaal dat je vergaart door aan een letterenfaculteit te promoveren is alleen iets waard binnen een letterenfaculteit. Dat maakt dat het aanvaarden van een dienstbetrekking – ja, het accepteren van een promotieplaats – aan de Faculteit der Letteren het inzwemmen van een fuik is. Als je eenmaal binnen bent, kun je bijna niet meer weg: de kans is klein dat je op de vrije markt het royale salaris en de leuke arbeidsvoorwaarden in de wacht zult slepen die de universiteit je biedt.

Illustratie: Hajo

Tegenover docenten die binnen zijn maar het liefste naar buiten zouden willen, staan overigens tal van slimme, getalenteerde en gemotiveerde wetenschappers die graag naar binnen willen. Een een-tweetje voor een organisatie die zweert bij de markt zou je zeggen, maar letterenfaculteiten slagen er niet in het een met het ander te verenigen. Van een vrij verkeer van personen tussen de echte wereld en de universitaire wereld is op letterenfaculteiten geen sprake.

Op de neoliberale universiteit is er de noodzaak coûte que coûte output te leveren, maar de echte markt is ver, zeer ver weg. Voor wie zich committeert en bereid is lange dagen te maken is een letterenfaculteit een beschermde omgeving – bevolkt door een taaie laag van mensen die elke dag meer met hun biotoop vergroeien en de echte wereld vooral kennen uit de krant, de supermarkt, de treincoupé en de volleybalclub waarvan ze lid zijn.

Dat betekent uiteraard niet dat er helemaal geen mensen meer worden aangetrokken. Maar nieuwe universitaire docenten, die een hogere drempel over moeten dan in de tijd dat de huidige bestuurders werden aangesteld, komen van een koude kermis thuis. Voor de nieuwelingen geldt een extra wrede variant van het Peterprincipe. Het Peterprincipe houdt in dat mensen op grond van het feit dat ze goed functioneren in de ene functie bevorderd worden naar een andere functie, net zolang tot zij hun niveau van incompetentie bereiken. De academische variant daarvan is dat mensen worden aangesteld op basis van hun wetenschappelijke verdiensten, maar zodra zij binnen zijn zozeer met onderwijs- en administratieve taken worden overladen, dat het schrijven van het boek waarover zij tijdens hun sollicitatieprocedure nog zo enthousiast spraken langzaam maar zeker achter de horizon verdwijnt.

De onderwijslast is aan de universiteiten zwaar geworden en ook dat komt door het marktdenken. Dat zit hem vooral in de hoeveelheid nakijkwerk. Er is namelijk een panische angst studenten te verliezen – elke afhakende student betekent kapitaalvernietiging. Om studenten te binden, bij de les te houden en tijdig de benodigde studiepunten te laten behalen moeten ze allemaal, elke week, en voor elk vak, opdrachten inleveren. Die allemaal nagekeken moeten worden en van opbouwend commentaar voorzien moeten worden. Bij de faculteit waar ik werk is het officieel beleid dat docenten zich bij het Onderwijsinstituut moeten komen verantwoorden als ze minder dan vijftig procent van hun studenten laten slagen. Een van de hoofdtaken van dat Onderwijsinstituut is het ‘bewaken van het onderwijsrendement van de opleidingen’ en ik kan uit eigen ervaring zeggen dat vanaf de werkvloer gezien zijn voornaamste functie niet zo heel anders is als die van Lenins Tsjeka (de geheime dienst): zorg dat je er nooit mee te maken krijgt.

Lees ook: Het budget voor universiteiten houdt geen gelijke tred met het aantal uitgereikte diploma’s, zegt het Rathenau Instituut.

Ik moet bekennen dat ik pas heel laat in de gaten kreeg hoe allesoverheersend het marktgeloof geworden is. Dat komt denk ik omdat dat credo voor een eenvoudig staflid als ik schuil gaat achter internationaliseringsretoriek en de vraag of het onderwijs in het Engels moet. Een strategie zit daar denk ik niet achter, maar het werkt perfect. Discussies over internationalisering raken zeker ook bij letterendocenten een gevoelige snaar: onze corebusiness, de wetenschap, is een internationale bedrijfstak, right? Bestuurders maken gretig gebruik van het valse bewustzijn van hun stafleden om hun marktagenda door te drukken, zonder overigens ook maar in het minst in internationalisatie geïnteresseerd te zijn. Toen ik mijn toenmalige decaan op de hoogte bracht van het feit dat ik was uitgenodigd om een tijdje gasthoogleraar te zijn in Stanford sprak hij zonder een spoor van ironie de onsterfelijke woorden „Nou, dat is dan het beste bewijs dat je je facultaire taken verwaarloost.”

Persoonlijk vind ik het belangrijkste negatieve effect van het marktcredo echter niet de werkdruk, de hypocrisie of de verengelsing van het onderwijs, maar de sluipende deprofessionalisering van de stafleden. In het werkethos van de professional liggen elegante sturingsmechanismen besloten, die door het marktdenken krachteloos worden. De aloude professional beschikte over specialistische kennis, was het aan zijn beroepseer verplicht kwaliteit te leveren en voelde zich zelf verantwoordelijk voor wat hij deed. Marktwerking echter betekent productiedwang. En productiedwang betekent bureaucratische controle. En omdat die bureaucratische controle niets anders is dan geïnstitutionaliseerde argwaan tegen professionele zelfsturing kwijnt die zelfsturing, ja professionaliteit tout court, langzaam weg.

Het nettoresultaat is dat we zitten opgescheept met een doos van Pandora vol audit-systemen, verantwoordingsprotocollen en oppermachtige examen- en visitatiecommissies. Ik herinner me dat ik toen ik als gasthoogleraar op Berkeley naar ieders tevredenheid onderwijs gaf aan slimme en veeleisende Silicon-valley studenten, dringende mails van mijn universiteit van herkomst kreeg dat het de hoogste tijd was om mijn ‘basiskwalificatie onderwijs’ te halen.

Ook voor een ander attribuut van de professional, specialistische kennis, is aan de Nederlandse letterenfaculteiten hoe langer hoe minder plaats. Op de Amerikaanse universiteiten waar ik gewerkt heb gold het simpele maar effectieve principe dat elke docent elk semester twee seminars gaf over de onderwerpen die hij of zij relevant achtte. Daar schreef hij of zij vervolgens niet zelden ook een boek over. Bij de Nederlandse letterenfaculteiten worden veel te weinig ‘kernvakken’ en onderzoekscolleges aangeboden om elke docent iets met zijn of haar specialisme te kunnen laten doen. Het gevolg is dat docenten die tot de top van hun vakgebied behoren worden ingezet om buitengewoon elementaire cursussen, sorry: ‘modules’ te geven. Voor hen zit er weinig anders op dan kijken of ze iets van hun expertise kunnen meesmokkelen in cursussen die eigenlijk over iets anders gaan. En gedwee leggen zij aan hun stomverbaasde buitenlandse studenten uit waarom hun cursus door een duurbetaalde specialist in plaats van door een onderwijsassistent gegeven wordt.

Lees ook: Geen enkele scholier wil de verkeerde studie kiezen.

Hoe langer hoe meer leven universitaire docenten in een schijnwereld. Onze versie van ‘markt’ leidt niet tot ‘tucht’ maar tot de verplichting door allerlei brandende hoepels te springen. Docenten moeten voortdurend dingen doen die niet alleen veel tijd kosten, maar ook geen enkele relatie hebben met waar ze als professional of zelfs maar als integer mens voor staan. Maar omdat het de dingen zijn waar ze op afgerekend worden – en omdat de accreditatie en daarmee de boterham van de collega’s ermee op het spel staan – doen ze ze toch maar. In een artikel met de toepasselijke titel ‘McUniversity’ stellen Martin Parker en David Jary: „Managing appearances [is] a fruitful strategy if it is only appearances that get measured.” Dat is wat ik de laatste jaren veel te veel heb moeten doen. Het gaat niet langer om het geven van werkelijk goede feedback, maar om het zodanig invullen van beoordelingsformulieren dat de visitatiecommisie er geen vat op krijgt.

Historicus Chris Lorenz vroeg zich een paar jaar geleden af hoe het toch komt dat al die bovengemiddeld slimme docenten zo hulpeloos zijn tegen de manier waarop universiteiten bestuurd worden. Waarom die gedweeheid? Is het de angst voor onze boterham? Zijn we allemaal murw? Gedemoraliseerd? Zijn we eindeloos geneigd degenen die boven ons gesteld zijn het voordeel van de twijfel te gunnen? Of heeft iedereen last van het knagende gevoel zelf chronisch tekort te schieten? Denken we geen recht van spreken te hebben doordat we zelf nooit tijd genoeg hebben voor al die formulieren, vergaderingen, beoordelingen, voortgangsgesprekjes en artikelen? Onmiskenbaar is in ieder geval de eindeloze bereidheid medewerking te verlenen aan de zoveelste verantwoordingsverplichting en de schouders te zetten ook onder de nieuwste herstructurering.

In haar roman Ons soort mensen voert Juli Zeh iemand ten tonele die model kan staan voor het moderne universitaire werkpaard: „Het ging hem er niet meer om een fijn leven te leiden, het ging niet eens om geld. Wat deze generatie dreef, was de absolute wens om alles goed te doen, geen fouten te maken en daardoor onaantastbaar te worden. Het kapitalistische systeem plantte een zaadje van angst in de zielen van zijn kinderen, die zich in de loop van hun leven pantserden met steeds nieuwe lagen van prestatiedrift.” Door met mijn voeten te stemmen maak ik, hoe mijn bestaan als zzp’er ook gaat uitpakken, in ieder geval een einde aan die onwezenlijke onaantastbaarheid.