Recensie

‘Tristan und Isolde’ door DNO is prachtig en beklemmend

Opera ‘Tristan und Isolde’ door De Nationale Opera is veel om te verwerken en muzikaal imposant. Pierre Audi’s regie doet passend een appèl op het hoofd.

Sopraan Ricarda Merbeth zingt wat strenge Isolde. Tenor Stephen Gould is een Tristan zoals je niet alle dagen hoort. Foto Ruth Walz

Hoe label je Wagners Tristan und Isolde? Is het een liefdesopera? Een contemplatie over de mogelijkheid van een echt vrije liefde tussen twee stervelingen – die „mooiste droom” denkbaar, in Wagners woorden? Of een monument voor de onmogelijkheid daarvan; een vier uur durende, soms tergend intense verklanking van het smachten, treffend gevangen in dat ene akkoord waarmee Tristan und Isolde begint en dat maar geen harmonische verlossing vindt?

Hoe je het ook formuleert: Wagners Tristan und Isolde (1865) is een mijlpaal in de westerse cultuurgeschiedenis. Een werk zo hallucinatoir, compromisloos en zinderend van sehnsucht dat mensen in Wagners tijd er flauw van vielen, en je ook nu in de pauze verlangt naar schemerdonker-met-extra’s omdat de overgang van Wagners wereld naar de foyer onoverbrugbaar is.

Bij De Nationale Opera (DNO) dateert de laatste Tristan van 2001. Regisseur Pierre Audi, de komende zomer na exact dertig jaar vertrekkende muzikaal directeur van DNO, ging Tristan zelf lange tijd uit de weg. Pas in 2016 waagde hij het erop, in nauwe samenspraak met decor-ontwerper Christof Hetzer.

In podcast NRC Kunst! #4 vertelt muziekredacteur Mischa Spel over de lol van opera.

De voorstelling, eerder te zien in de coproducerende operahuizen te Rome en Parijs, is in zijn rituele, verstilde beeldentaal typerend voor Audi. Hetzers decor en het zeer wezenlijke lichtplan van Jean Kalman vormen een oogstrelende, sobere basis. Abstract en uitgebeend oogt het, met een 25 meter breed oplichtend achterdoek voor plafondhoge, verrijdbare schachten (akte 1), een veld van walvistanden (2) en Tristans sterfstal (3), waarin één lichtpuntje zijn hoop op Isoldes terugkeer symboliseert. En dan is er nog een groot, aan Malevitsj herinnerend zwart vierkant dat de dood (of een nieuw begin) symboliseert.

De voorstelling is in zijn rituele, verstilde beeldentaal typerend voor regisseur Pierre Audi.

Foto Ruth Walz
De voorstelling is in zijn rituele, verstilde beeldentaal typerend voor regisseur Pierre Audi.
Foto Ruth Walz

Van zinnelijke schoonheid is het openingsbeeld: een reep licht die ontstaat doordat de metalen schachten omhoog worden getakeld, terwijl Tristan en Isolde letterlijk om elkaar heen draaien. Hun silhouetten lichten op en doen denken aan Japans schaduwtheater. Dat is een stijlvolle verwijzing naar de oosterse inspiratiebronnen van Schopenhauer, van wiens filosofie (in tien woorden: we willen altijd meer en slechts de dood biedt verlossing) Trisan und Isolde het klinkend residu is. Diezelfde vondst maakt ook de verbeelding van Isoldes liefdesdood ijzersterk: zingend als silhouet lost ze op in het niets.

In Audi’s personenregie regeert de onthechting waar het in Tristan und Isolde in wezen allemaal om draait. „In der Brust jauchzende Lust” leidt niet tot fysieke toenadering en ook als Isolde Tristan op zijn sterfbed ten slotte net te laat nadert, blijft ze op vijf meter afstand zitten (‘Ha! Ich bin’s!’). De intiemste hoogtepunten zijn die waar even de voorhoofden tegen elkaar worden gelegd.

Muzikaal gesproken is de voorstelling imposant. Marc Albrecht dirigeert het uitstekende Nederlands Philharmonisch Orkest energiek, helder en waar nodig stuwend. Hij laat zich niet verleiden tot nodeloos zwelgen en al klinkt het voorspel tot de derde akte zinderend warm, het mooist zijn onder zijn leiding de momenten van kamermuzikale helderheid (akte 2). Speciale vermelding verdient de heerlijk vrije Engelse hoornsolo van Anita Janssen.

Tenor Stephen Gould is een Tristan zoals je niet alle dagen hoort: hij houdt écht stand tot het slot en hoewel de bizarre zwaarte van zijn rol sporadisch tol eist in intonatie en souplesse kun je niet anders dan onder de indruk zijn. Sopraan Ricarda Merbeth zingt een fraaie, karaktervolle en wat strenge Isolde (met soms te fel aangezette dictie), excellerend in haar slotmonoloog. Günther Groissböck – een zeldzame, echte bas – is een krachtige, energieke Marke. Maar te weinig applaus was er voor Michelle Breedt (Brangäne) en Iain Paterson (Kurwenal), nu juist de twee zangers die het meeste menselijke warmte legden in hun in hun cruciale bijrollen.

Lees ook dit interview met Stephen Gould: ‘Ik zit nu op 68 Tristans. De honderd ga ik halen’

Het geheel is prachtig, beklemmend en veel om te verwerken. De intelligente gestrengheid van Audi’s regie doet een appèl op het hoofd, en strikt genomen is dat voor deze liefdesgeschiedenis-die-geen-liefdesgeschiedenis-is ook passend. De onderbuik mág buitenspel blijven. Maar ergens mis je toch de zinnelijkheid, zoals die er in het openingsbeeld even wel is. Vervoering verzekerd, ontroering blijft uit.