Opinie

Trainen, dat is pas vals spelen

Eerlijke krachtmeting in de sport is een illusie, betoogt . Maar vals spel zal verdwijnen. De financiële belangen zijn te groot.

Illustratie Cyprian Koscielniak

Wat is ‘vals spel’? In zijn verhalenbundel De veertiende etappe: 71 wielerverhalen waarin opgenomen 43 wielerverhalen schrijft Tim Krabbé in het stuk ‘De geest van de sport’ het volgende: „Alles is oneerlijk in de sport; sport is het meten van oneerlijkheden, aangeboren en verworven. Een sportwedstrijd wordt gewonnen door degene met de juiste hem door de natuur, zijn omstandigheden en zijn karakter geschonken oneerlijke voordelen”.

Krabbé heeft natuurlijk gelijk. Nergens anders dan in de sport komen onrechtvaardige verschillen in fysiek en mentaal vermogen zo duidelijk aan de oppervlakte en zijn ze zo doorslaggevend in het uiteindelijke resultaat van de krachtmeting.

Het lijkt er sterk op dat in de eerste decennia van de moderne sport – we hebben het over de tweede helft van de negentiende eeuw – het meten van de aangeboren verschillen in fysieke aanleg en talent ook daadwerkelijk de kern van de sportwedstrijd was. Het was in het Engeland van destijds uitdrukkelijk niet de bedoeling dat er werd getraind. Wie trainde, deed dat in het geniep, want training gold als iets onsportiefs: het ging ten koste van de zuivere krachtmeting. Training was de doping van die tijd.

Pas toen sport zich professionaliseerde en zich verspreidde onder alle lagen van de bevolking, gingen training en wedstrijd bij elkaar horen als broer en zus. Training leverde voordeel op en het voordeel financieel gewin. Maar nog decennialang zou het ideaal van de ongetrainde zuivere krachtmeting in de sport levend blijven. Nog in 1974 stond dit in het Olympisch Handvest van het Internationaal Olympisch Comité: „De toegestane periode van full time training (…) mag de 30 achtereenvolgende dagen niet overschrijden, en in geen geval meer bedragen dan 60 dagen in een kalenderjaar.’ Wie meer trainde dan 1,2 dagen per week was in overtreding en kon worden geschorst.

Huizinga’s Homo ludens

In 1938 schreef historicus en filosoof Johan Huizinga (1872-1945) in zijn beroemde cultuurstudie Homo ludens het volgende: „In de sport hadden we te doen met een activiteit, die bewust en erkend is als spel, die evenwel is opgevoerd tot zulk een graad van technische organisatie, materiële uitrusting en wetenschappelijke doordachtheid, dat in haar collectieve en publieke uitoefening de eigenlijke stemming van het spel dreigt teloor te gaan”.

Het spel, de sport, vond Huizinga was door de oprukkende professionalisering „verernstigd” en had zichzelf daarmee buiten de cultuur geplaatst. „Echte beschaving eist altijd en in ieder opzicht fair play (…). De spelbreker breekt de cultuur zelve.” Het echte spel „sluit alle propaganda uit. Het heeft zijn doel in zichzelf”.

De door Huizinga geconstateerde ontwikkeling zou zich in de decennia die volgden doorzetten, en wel zo radicaal dat hij zich vermoedelijk geen voorstelling had kunnen maken van de diepe ernst van het spel in de eenentwintigste eeuw.

Dat alles heeft ertoe geleid dat fair play vooral de illusie van fair play is geworden. De verernstiging van de sport heeft tot vals spel geleid.

Sportieve successen worden steeds duurder. Nederland won bij de Zomerspelen van Rio de Janeiro 2016 negentien medailles. In de voorafgaande vier jaar investeerde Nederland volgens onderzoek van de Universiteit Utrecht en het Mulier Instituut 206 miljoen euro in topsport. De kosten voor een medaille kwamen zodoende uit op bijna elf miljoen euro per stuk. Daarmee is Nederland een uitermate efficiënt scorend land: de medailles die andere landen binnenhaalden waren bijna allemaal duurder. Zuid-Korea investeerde 400 miljoen euro per jaar in topsport, maar haalde desondanks in Rio maar twee medailles meer dan Nederland, Australië scoorde met een jaarbudget van 130 miljoen maar tien medailles meer.

In meer of mindere mate geldt altijd het credo ‘euro’s in, medals out’. Zoals sport in de negentiende eeuw een bezigheid was voor de aristocratie, zo is het nu het speeltje geworden van de rijke elite-naties van de wereld: die winnen negentig procent van alle medailles. En de kosten worden telkens hoger: de investeringen nemen wereldwijd toe. Het aantal te winnen medailles blijft min of meer gelijk, dus de prijs stijgt. De atleet die niet is geboren in een rijk land (of in een arm land dat om de een of andere reden de schaarse middelen aan sport over de balk smijt), is, over hoeveel talent hij ook beschikt, bij voorbaat kansloos. Dat zou je heel goed oneerlijk kunnen noemen.

In tegenstelling tot wat veel mensen denken, zijn de Olympische Spelen formeel niet bedoeld als evenement waar de landen van de wereld tegen elkaar in het strijdperk treden. Het gaat om ‘een ontmoeting van de jeugd van de wereld’, om individuele atleten die zich met elkaar meten, solo of in teamverband. De vorige voorzitter van het IOC, de Belg Jacques Rogge, vond zelfs dat de hele ceremonie met vlaggen en volksliederen moest worden afgeschaft om het corrumperende nationalisme tegen te gaan. Hij kreeg er de handen niet voor op elkaar, hoewel hij gelijk had.

Nederland sportland

Recentelijk verscheen het rapport Naar een sportiever Nederland, van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) en het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu. Daarin stond dat de positie van Nederland onder de tien beste sportlanden ter wereld in het geding dreigde te komen. Op 1 januari 2017 bezette Nederland de zevende plaats op de ranglijst voor olympische en niet-olympische sporten.

Die positie werd volgens het rapport bedreigd doordat andere landen meer inwoners hebben en snellere economische groei vertonen. De onderzoekers stelden vast dat 50 procent van de klassering werd bepaald door bevolkingsgroei en de waarde van het bnp. Qua inwonertal is Nederland de nummer 65 van de wereld, wat bnp betreft nummer 24. Dat we niettemin zevende staan, komt door de goed georganiseerde talentontwikkeling en de kracht van verenigingen en bonden.

Maar er moet dus wel wat gebeuren, anders zakken we af. Dat is ongewenst, zeggen voorstanders van meer investeringen in de topsport, vanwege de verbindende rol die sportsuccessen in de samenleving zouden spelen, de stimulerende invloed op sportdeelname en de Hollandmarketing: sportsuccessen en sporthelden zouden voor de export deuren openen die anders gesloten blijven. En daar komt dan de mogelijk positieve invloed op de integratie van minderheden en de extra omzet van de middenstand en horeca nog bij.

Het zijn de vehikels waarmee topsport wordt opgezadeld: vijftig miljoen per jaar (het Nederlandse topsportbudget) investeren in topsport louter vanwege de topsport en verder nergens voor, zou door niemand worden geaccepteerd. Er moet extra ‘waarde’ zijn, die ons allemaal ten goede komt en die voldoet aan rendementseisen: wat kost het en wat levert het op?

Matchfixing

Wie beweert dat grote delen van de internationale topsport corrupt en zo rot als een mispel waren en zijn, zit niet ver van de waarheid. De organisatie Transparency International publiceerde in 2016 het rapport The Global Corruption Report: Sport 2016. Pagina na pagina trekt de corruptie voorbij. Opmerkelijk genoeg krijgt doping amper aandacht als corrumperend element. Voor de sport als geheel is volgens de onderzoekers matchfixing – het vooraf bepalen van de uitslag door deelnemers om te kopen – veel gevaarlijker. In de illegale gokmarkt gaat jaarlijks 500 miljard dollar om. Matchfixing is niet alleen een bedreiging voor de eerlijkheid van de sport, maar ook voor de winstgevendheid ervan. Televisiezenders en sponsors houden niet van doorgestoken kaart, dat gaat ten koste gaat van de belangstelling van het publiek.

Transparency International schat de totale jaarwinst van de mondiale sport op 145 miljard dollar: de winst van de aan sport gelieerde organisaties (fabrikanten van sportartikelen, televisiezenders, ticketverkopers) is daarin niet meegerekend.

De oorlog tegen matchfixers dreigt verloren te gaan, en met die tegen doping gaat het ook niet lekker. Charles E. Yesalis, hoogleraar aan Penn State University en al decennialang een van de bekendste Amerikaanse dopingexperts, gaf de moed ruim tien jaar geleden al op. „Wat kunnen we eraan doen?”, zei hij tijdens een hoorzitting in 2005 in het Congres. „Not a damned thing. Dopingtests zijn vergeven van de mazen in het net. Er staat enorm veel geld op het spel. De fans kan het niets schelen. Ze vinden het niet genoeg om naar de Olympische Spelen te kijken of naar wat voor topsportevenement dan ook, om de beste atleten te zien. Ze willen bigger-than-life mensen die bigger-than-life prestaties leveren. En doping zorgt daarvoor.”

‘Genetische doping’, het manipuleren van het menselijk dna, zal die strijd volgens Yesalis en andere experts nog ongelijker maken. En dat die vorm van prestatiebevordering op enig moment zijn entree zal maken in de sport lijdt geen twijfel; als de technieken er zijn, zullen die ook worden gebruikt.

Commerciële druk

Professionalisme in de sport verhoogt het risico van vals spel. Patriottisme en sport als ideologisch propagandamiddel ook, evenals sport als marketingvehikel. Topsporters worden onder druk gezet, hun prestaties zijn bepalend voor de financiering van bonden, voor het aanzien van trainers en bestuurders, voor het binnenhalen van geldschieters, voor de omzet van hun sponsors. En uiteindelijk rust ook hun eigen toekomst zwaar op hun schouders: een gouden medaille levert geld op, sponsors, reclamecontracten, roem waarop nog jaren kan worden geteerd.

Mondialisering speelt ook in de sport. Sponsors denken wereldwijd, televisiezenders en mediareuzen als Facebook, Google, Netflix en Amazon in steeds sterkere mate ook. Voor hun wereldwijde ambities zijn ze op zoek naar ‘content’: films, televisieseries. En in steeds sterkere mate: sport.

De commercialisering van de sport heeft de laatste dertig jaar een immense vlucht genomen. De sprinter Usain Bolt, die in 2017 zijn loopbaan beëindigde, had in zijn laatste jaar als actief atleet tien ‘Global Partners’ en zeven ‘Regional Partners’: bedrijven waarvoor hij als uithangbord fungeerde. In het seizoen 2016-2017 leverde dat hem 34,2 miljoen dollar op.

De Winterspelen van 2014 in Sotsji kostten meer dan alle voorgaande Winterspelen sinds 1924 bij elkaar. Qatar heeft 200 miljard dollar uitgetrokken voor het WK voetbal 2022. Dat zijn duizelingwekkende getallen, helemaal als je beseft dat ze moeten worden terugverdiend. Dat kan alleen wanneer sport zich bevrijdt van een hoop ballast en beperkende nutsfuncties, wanneer het op hoog niveau bedrijfsmatig wordt georganiseerd, geen last heeft van negatieve publiciteit en de wereld als werkterrein ziet.

Sport als industrie

Dat proces voltrekt zich. Sport wordt steeds meer op een bedrijfsmatige manier bestuurd. Grote voetbalclubs worden gekocht door investeerders die winst willen maken. De Tour de France is eigendom van ASO, een commercieel bedrijf. In de grote Amerikaanse sporten, honkbal, football en basketbal, zijn de clubs privébezit en is de overkoepelende organisatie geen bond, maar eerder een soort holding met een ceo, commissioner genaamd. De ‘holding’ sluit sponsor- en televisiedeals en verdeelt de opbrengst onder de teams. De oude sportbonden stammen uit een andere tijd, en zij zullen binnen het segment van de mondiale topsport steeds meer aan invloed verliezen. Hun rol zal zich beperken tot de organisatie van de breedtesport en het aanleveren van talent voor de sportindustrie.

Wat de sport niet kan gebruiken, is negatieve publiciteit door vals spel, in wat voor vorm dan ook. Doping, matchfixing en corrupte bestuurders zijn schadelijk voor de marktwaarde. Geen enkele van de stakeholders heeft daar belang bij. Sponsors, tv-zenders, clubeigenaren, organisatoren: allemaal zijn ze gebaat bij een schoon en eerlijk imago. Dat geldt ook voor de topatleten zelf. Imagoschade door vals spel, in welke vorm dan ook, moet zoveel mogelijk worden vermeden. Niet zozeer om morele redenen, maar vooral vanwege financiële belangen. Er bestaat een relatief eenvoudige manier om het schaderisico tegen te gaan: vorm een gesloten, van binnenuit gecontroleerd systeem. Dat is precies wat er momenteel gebeurt, in de NBA (National Basketball Association), in het tennis, in het voetbal. En straks in alle grote, bedrijfsmatig bestuurde sporten. En net zoals nu al het geval is in het Amerikaanse basketbal en het tennis, zal ook in de andere sporten nog maar zelden van vals spel worden vernomen.