Tanden tonen honkvaste voorouders

Isotopen

Bioarcheoloog Lisette Kootker maakte dankzij muizentanden een kaart van Nederland die inzicht biedt in oude migratiestromen.

Bioarcheoloog Lisette Kootker achterhaalt met isotopenratio’s in kiezen vroegere migratiepatronen. Hier giet ze vloeibaar stikstof in het apparaat dat de monsters zal meten. Foto: Ruben Schipper

Zo’n duizend jaar was de begraafplaats rond de Plechelmuskerk in Oldenzaal in gebruik, van de negende tot de negentiende eeuw. „Slechts 7 procent van de overledenen op die begraafplaats was ‘niet-lokaal’. Blijkbaar stonden ze minder open voor het opnemen van vreemden”, zegt bioarcheoloog Lisette Kootker. „Dat blijkt ook uit historische bronnen, die zeggen dat vreemden moeilijk burger van Oldenzaal konden worden. Zelfs al was het een Hanzestad, die handel voerde en goed verbonden was met andere steden.” Kootker promoveerde in december aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. Ze maakte voor haar proefschrift een kaart waarop ze Nederland heeft verdeeld in ‘isoscapes’ – regio’s die worden gekenmerkt door specifieke isotopenratio’s. „Met behulp van strontiumisotopen en de kaart kan nu bepaald worden waar mensen in het verleden opgroeiden.” Dat levert volgens haar nieuw inzicht op in vroegere migratiestromen. Het vaststellen van de strontiumratio’s voor de kaart deed ze met 143 tanden van opgegraven muizen. „Hun actieradius is gering en zo kon ik er vrij zeker van zijn dat ik de ratio van een lokaal gebied bepaalde.”

Eigen grafcultuur

De inwoners van Oldenzaal kwamen in de Middeleeuwen dus vrijwel allemaal uit de stad zelf. Maar in het Rivierengebied kwam juist bijna de helft van de begravenen van zes grafvelden uit de IJzertijd (800-100 voor Christus) oorspronkelijk van verre.

„Anders dan de overledenen van vóór ongeveer 600 voor Christus waren ze niet gecremeerd, maar begraven. Dan ga je denken dat de verandering in het dodenritueel te maken heeft met de komst van mensen van buitenaf die hun eigen grafcultuur hadden meegenomen.”

Deze conclusie past bij de huidige trend in de internationale archeologie dat grootschalige migraties weer ‘mogen’. In de negentiende en het begin van de twintigste eeuw was het nog heel gewoon om de verschijning van een nieuw cultuurkenmerk, bijvoorbeeld een ander type aardewerk, gelijk te stellen aan de komst van een nieuwe cultuurgroep. Na de Tweede Wereldoorlog, waarin de nazi’s archeologie hadden misbruikt om aan te tonen dat allerlei gebieden in Europa van oudsher al Germaans waren, nam men liever aan dat verandering van cultuur te maken had met het doorgeven van objecten en nieuwe ideeën. Maar DNA- en isotopenonderzoek hebben de laatste jaren duidelijk gemaakt dat er wel degelijk grote massaverhuizingen zijn geweest en dat die gepaard zijn gegaan met cultuurveranderingen, bijvoorbeeld met de invoer van landbouw. De bekende Deense archeoloog Kristian Kristiansen spreekt daarom al van de Derde Wetenschappelijke Revolutie in de archeologie (de eerste was tussen 1850 en 1860 dankzij de geologie en biologie, de tweede tussen 1950 en 1960 met de komst van C14-dateringen).

„Kristiansen maakt het allemaal iets groter dan het misschien is”, zegt Kootker. „Er gebeurt zeker veel, maar aan het strontiumonderzoek zitten ook nog genoeg haken en ogen, alleen al omdat er van veel gebieden en landen nog geen kaarten zijn. Mij lijkt het daarom goed als archeologen zich niet teveel focussen op waar iemand precies vandaan kwam, maar meer op individuele migratiegeschiedenissen.” Als voorbeeld noemt ze vroegere VOC-slaven die op een informele begraafplaats in Kaapstad waren begraven. „Namen kunnen we niet achterhalen, maar we kunnen iemand wel een deel van zijn identiteit teruggeven door vast te stellen dat hij in de eerste zestien jaar van zijn leven met gevangenneming in zijn geboorteland, verkoop op een slavenmarkt elders en een reis naar Kaapstad al een lange gedwongen migratiegeschiedenis achter de rug had.”

    • Theo Toebosch