Veel streekdracht is niet zo Nederlands als je zou denken

Het Klederdrachtmuseum organiseert een show rond Staphorster dracht. Meerdere modeontwerpers gebruiken invloeden van Nederlandse streekdracht in hun collecties.

Foto Remko de Waal/ANP

Volgende week zaterdag komen op een catwalk in Amsterdam twee zeer uiteenlopende werelden samen. Die van het streng gelovige dorp Staphorst. En die van Walter Van Beirendonck, de Belgische mannenmodeontwerper die bekendstaat om zijn uitgesproken, experimentele collecties waarin hij thema’s als fetisjisme en gender aansnijdt. Van Beirendonck heeft namelijk een zwak voor Nederlandse klederdracht.

In zijn collectie van afgelopen najaar zaten sjaaltjes die waren gehaakt volgens Volendams procédé, in zeven outfits van de collectie voor voorjaar 2017 was stof met Staphorster stipwerk gebruikt, een techniek waarbij een dessin wordt gemaakt met behulp van deels in blokjes hout geslagen spijkers. Twee van die outfits zullen getoond worden in een show die verder helemaal draait om traditionele Staphorster dracht.

De show wordt georganiseerd door Het Klederdrachtmuseum, een klein particulier museum in het centrum van Amsterdam. Het is een initiatief van Jolanda van den Berg (49), die nooit eerder actief was in de museumwereld noch uit een gebied komt waar klederdracht werd gedragen. De voormalige verpleegster, consultant en projectmanager had wel altijd belangstelling voor textiel, en een voorliefde voor streekmusea. Toen ze ontdekte dat er in Nederland geen museum is waar alle klederdrachten permanent worden opgesteld, besloot ze in dat gat te springen. „Ik zag de bezoekersaantallen in Amsterdam stijgen en dacht: al die mensen die voor drie dagen komen, hebben geen idee dat Nederland meer te bieden heeft dan kaaswinkels, de grachten, coffeeshops en het Rijksmuseum.”

Ze deed marktonderzoek, kreeg een deel van het benodigde geld bij elkaar met crowdfunding en sloot voor de rest een lening af. In maart 2016 tekende ze het huurcontract van een pand aan de Herengracht, vier maanden later ging het museum open.

Zeven stadia van rouw

De kledingstukken kocht ze van kostuumverenigingen en streekmusea. Alle kleding is origineel, op die uit Hindeloopen na. Die werd voor het laatst in 1880 gedragen. De andere drachten zijn nieuwer dan je denkt: de meeste klederdrachten zoals we die nu nog kennen ontstonden in de tweede helft van de 19de eeuw, en sommige ontwikkelden zich daarna nog lang door. „Voor 1850 droegen Nederlandse boeren en vissers eigenlijk allemaal hetzelfde”, zegt Van den Berg. „Toen er door handel en industrie meer geld kwam, ontstond de mogelijkheid een eigen identiteit te ontwikkelen.”

In de zeven fris ingerichte ruimtes in het grachtenpand staan de meest herkenbare Nederlandse streekdracht opgesteld: behalve uit Hindeloopen komt die uit Marken, Spakenburg, Zeeland, Urk en Volendam. En natuurlijk Staphorst, waar verreweg de meeste vrouwen wonen die nog dagelijks in traditionele kleding lopen: zo’n 450 (mannen zijn er volgens Van den Berg allemaal al mee gestopt). Daarnaast zijn er door heel Nederland nog duizenden vrouwen, en mannen, die lid zijn van kostuumverenigingen en op hoogtijdagen in klederdracht gaan.

In de kostuums van Marken, Hindeloopen en Spakenburg is sits verwerkt, een bedrukte katoen die oorspronkelijk uit India komt

Het bijzondere van veel van de streekdrachten is dat ze helemaal niet zo Nederlands zijn als je zou denken: in de kostuums van Marken, Hindeloopen en Spakenburg is sits verwerkt, een bedrukte katoen die oorspronkelijk uit India komt. Bij die van Marken zie je ook Indonesische batikmotieven en Scandinavische borduursels. Kant is vaak Frans of Belgisch.

Wat ook opvalt in het museum is de grote hoeveelheid rouwkleding, die zelden zwart is. In de Spakenburgse dracht zijn er bijvoorbeeld zeven stadia van rouw: hoe recenter het verlies, hoe dieper het paars in het dessin van de zwaar gesteven kraplappen die op het bovenlijf worden gedragen.

Het ontstaan van streekkostuums vergelijkt Van den Berg met dat van de punkmode. „Iemand denkt: ik doe een veiligheidsspeld in mijn kleding. Een ander neemt dat over en doet er nog een bij.” Zo hebben bijvoorbeeld de kraplappen uit Spakenburg na de Tweede Wereldoorlog hun onpraktisch grote vorm gekregen, vermoedt zij. „Klederdracht is pronkzucht. Hoe meer plooien je in je rok had, hoe beter je het voor elkaar had. Katholieke vrouwen uit Zuid-Beveland hadden aan de achterkant van hun kap een gat, zodat zichtbaar was hoe groot de gouden sluiting van hun bloedkoralen ketting was.”

Ontwerp van Walter Van Beirendonck,
collectie voorjaar 2017.

Foto’s Peter Stigter

De show van volgende week zaterdag is een voorproefje van de eerste tijdelijke tentoonstelling die Van den Berg heeft gepland, over de invloeden van streekkostuums op de hedendaagse mode – naast Van Beirendonck hebben onder anderen ook Viktor & Rolf, Jan Taminiau en John Galliano invloeden uit de Nederlandse streekdracht in hun collecties gebruikt. „Ik heb gemerkt dat zelfs modestudenten dat vaak niet eens herkennen”, zegt ze. „Dus ik zie een mooie educatieve taak voor mezelf weggelegd.”

Staphorst op de Catwalk is onderdeel van de Staphorstdag op 27 januari in de Singelkerk in Amsterdam. Meer informatie: hetklederdrachtmuseum.nl
    • Milou van Rossum