De beste sciencefiction heeft dat label niet meer nodig

Sciencefictionboeken

Vaak gaat sciencefiction over eigentijdse problemen. Maar wie afgaat op de bekroonde sf-boeken van 2017 vraagt zich af of echte sciencefiction nog wel bestaat. En dat is winst.

Illustratie Olf de Bruin

Sciencefiction is van oudsher een mannelijk genre. Wie de meest recente Nederlandse heruitgaven van klassieke romans uit het genre bekijkt kan daarover weinig twijfel hebben. Van Jack Vance verscheen in een opgekalefaterde versie zijn vierdelige Tschai-cyclus: de omzwervingen van een gestrande astronaut op een verre planeet waar eerder sprookjesachtige en exotische toestanden heersen dan hightech. Daterend van eind jaren zestig is de vertaling aangepast aan de gerestaureerde tekst van de Vance Integral Edition.

Nog ouder is de roman Het einde van het begin van Arthur C. Clarke, die in een kleine reeks dystopieën opnieuw is uitgebracht. Oorspronkelijk verscheen het boek in 1954. De Koude Oorlog was op stoom en bij Clarke is dat niet anders – totdat een buitenlandse invasievloot een einde maakt aan het menselijk geharrewar. Niet dat de mensheid ermee geholpen is. Uiteindelijk legt zij toch het loodje, opgeofferd aan hogere belangen dan de aardse.

Vance en Clarke zijn maar twee namen op een lange lijst klassieke sf-auteurs. Isaac Asimov, Philip K. Dick, Poul Anderson, Ray Bradbury, Robert A. Heinlein, A.E. van Vogt, Stanislaw Lem en de Fransman Pierre Boulle: vrouwen werden in het genre zelden tot nooit zichtbaar. Dat is grondig veranderd. Wie de belangrijkste prijzen uit het genre over 2017 bekijkt, ziet vier vrouwelijke auteurs tegen twee mannelijke. En – niet minder belangrijk – twee Afrikaans-Amerikanen. Colson Whitehead won met The Underground Railroad de Arthur C. Clarke Award, Nora K. Jemisin met The Obelisk Gate de Hugo Award. Die had zij voor het eerste deel van haar ‘Broken Earth’-trilogie (The Fifth Season) vorig jaar ook al ontvangen, als de eerste zwarte schrijver die deze eer te beurt viel.

Heeft dat het genre van de sciencefiction veranderd? In het geval van Whitehead, die het slavernijverleden tot onderwerp van zijn boek maakte, is dat duidelijk. De feminisering toont een gemengder beeld. De technologische en wetenschappelijke fixatie van auteurs als Asimov, waaraan het genre zijn naam ontleent, is naar de achtergrond gedrongen, maar in de verbluffende Radch-trilogie waarmee Ann Leckie de afgelopen jaren alle prijzen won (de drie delen zijn inmiddels in het Nederlands vertaald) nog lang niet afwezig. Met haar hoofdpersoon die ogenschijnlijk mens maar in werkelijkheid het computerbrein van een ruimteschip is, legde zij de vinger op een van de meest intrigerende filosofische vragen rond kunstmatige intelligentie.

Technologische neus

Aan de andere kant heeft ook de klassieke sf altijd verder gekeken dan zijn technologische neus lang was. In de Tschai-cyclus van Jack Vance komt af en toe nog een ruimtevaartuig voor, maar verder had de serie net zo goed in de Middeleeuwen kunnen spelen – helaas inclusief de psychologische subtiliteit van het betere jongensboek. De door liefhebbers vaak betreurde versmelting van sf en fantasy heeft diepe wortels in het genre zelf.

Dat heeft onmiskenbare sporen nagelaten in de ‘Broken Earth’-trilogie van N.K. Jemisin. In de wereld die zij oproept lopen magische krachten en technologische catastrofes moeiteloos door elkaar heen. Tijd van handeling is een verre toekomst die aan de huidige tijd zelfs geen herinnering meer heeft. In Jemisins wereld is de aarde een kwaadaardige kracht geworden met nauw verhulde persoonlijke trekken: van wrok vervuld omdat de mensheid hem van zijn ‘kind’ beroofd heeft.

Lang geleden is door menselijk toedoen de maan uit haar baan gestoten en sindsdien maakt ‘Evil Earth’ het de mensheid zo moeilijk mogelijk. Periodieke ‘seizoenen’ van aardbevingen, vulkaanuitbarstingen en tsunami’s leiden tot hongersnoden, volksverhuizingen en onderlinge strijd om het bestaan. Een speciaal slag mensen heeft de gave de aardse krachten bij te sturen of zelfs te domineren, maar wordt door de ‘gewone’ bevolking als een gevaarlijk soort heksen gewantrouwd. Toch hangt van hen de taak af de Maan opnieuw te vangen in baan rond de aarde, die zich daarmee hopelijk zal willen verzoenen.

Magie en wetenschap ontmoeten elkaar ook in de nogal sprookjesachtige roman All the Birds in the Sky van Charlie Jane Anders, winnaar van de Nebula Award 2017. Ook bij haar gaat het om de redding van de aarde, zij het in een aanzienlijk nabijere toekomst die zich bijna met het heden vermengt. Het verhaal over een heldin die met vogels praat en een held die als typische ‘nerd’ langs technologische weg de ondergang tracht af te wenden van de wereld zoals wij die kennen verraadt, net als Jemisins trilogie, een diepe zorg over de vernietiging van ons leefmilieu.

Sciencefiction gaat, zoals het voorbeeld van Clarkes Het einde van het begin al vroeg duidelijk maakte, door de opzichtige verkleedpartij van de toekomstfantasie heen altijd over de problemen van de eigen tijd. Cirkelden die een paar jaar geleden nog rond de dreigende botsing van culturen, inmiddels hebben milieucatastrofes en klimaatverandering (Jemisins ‘seizoenen’) zich in het hart van het genre gevestigd.

Het indrukwekkendste voorbeeld daarvan is de roman The Mercy Journals van de Canadese schrijfster Claudia Casper, onderscheiden met de Philip K. Dick Award. Klassiek opgezet als een ‘gevonden manuscript’ beschrijft het boek hoe in een nabije toekomst (het verhaal speelt in 2047) de samenleving langzaam ineenstort door de CO2-vergiftiging van de atmosfeer en de wanhopige pogingen de catastrofe te keren. Fossiele brandstoffen worden verboden, een draconische geboortepolitiek wordt doorgevoerd.

Vakantiehuis

Het mag niet baten. Mercy, codenaam van een voormalig soldaat met een in het Midden-Oosten opgelopen post-traumatisch stresssyndroom, is gedwongen te vertrekken uit de desintegrerende stad aan de Canadese westkust, die Casper ongetwijfeld heeft gemodelleerd naar haar woonplaats Vancouver. In het vakantiehuis van zijn familie tracht hij te overleven, samen met een vriendin, de zoon van zijn broer met wie hij al lang geen contact meer heeft, ten tenslotte diens broer Leo zelf.

Dat wordt een tragedie, die Casper met psychologisch vernuft oproept in Mercy’s dagboeken. Pas een kwarteeuw later zullen ze worden teruggevonden, bij een graf met het lijk van Leo. Met een broedermoord eindigt deze roman als een Kaïn-en-Abelverhaal, maar in de tussentijd heeft zich een drama ontwikkeld dat het midden houdt tussen Into the Wild, Lord of the Flies en A Streetcar Named Desire.

Want Leo, een snoeverige playboy in de tijd waarin de wereld nog min of meer heel was, wil hardnekkig niet deugen. Hij lapt de regels van de kleine leefgemeenschap aan zijn laars, maakt zich het pistool eigen dat alleen voor noodgevallen bedoeld is en dringt zich steeds gewelddadiger op aan de vriendin van Mercy. Snijdend beschrijft Casper (in de woorden van Mercy) de spanning die langzaam tot een hoogtepunt gevoerd wordt wanneer Leo het ook nog eens gemunt blijkt te hebben op een rondzwervende poema met een voor de overlevenden quasireligieuze status. Net als in Lord of the Flies ligt vlak onder de moderne cultuur de godsdienst klaar om opnieuw zijn opwachting te maken.

Eén ding kun je je bij deze schitterende roman afvragen: wat doet hij eigenlijk in sciencefiction-gezelschap? Waarom verdiende hij bij uitstek de Philip K. Dick Award? Met een toekomstroman heeft hij alleen nog maar de datering gemeen. Moeiteloos had Casper hem in het heden kunnen situeren. De grondregel dat sciencefiction altijd in de eerste plaats gaat over het nu is hier tot zijn uiterste consequentie doorgevoerd.

Minder opvallend maar uiteindelijk net zo consequent werkt die wet door in de omvangrijke roman Too Like the Lightning van de Amerikaanse schrijfster Ada Palmer, bekroond met de Compton Crook Stephen Tall Memorial Award. De tijd van handeling is daarin stevig ver in de toekomst geplaatst, maar zelfs in de vijfentwintigste eeuw blijken de besognes nog opmerkelijk hedendaags.

Welvaart heerst in Palmers roman alom, met een sociale vredigheid die elke schijn van aanstootgevend taalgebruik gesmoord heeft in ras-, gender- en God mag weten wat voor neutraliteit nog meer. Godsdienst is uitgebannen, maar net als bij Casper laat de menselijke behoefte het daar niet bij zitten. Quasireligieuze raadslieden voorzien dolende zielen min of meer clandestien van spirituele raad en troost – terwijl de eerste barsten in het systeem langzaam zichtbaar worden. Door de onwrikbare welvaart – en een even onwrikbare kastensamenleving – heen zoekt een geestelijke kracht zijn weg die alles in de waagschaal stelt.

Palmer ontbreekt het niet aan een zekere zweverigheid, die zich vooral wreekt in haar plotopbouw. ‘Wie?’, ‘Wat?’ en ‘Waar?’ zijn vragen die de lezer voortdurend blijven desoriënteren – of beter: ‘Wat nou? Wie nu weer?’ en, bij oplopend verlies aan oriëntatie: ‘Waar moet dat heen?’

Van zoveel ongewisheid heeft de Britse sf-schrijver Dave Hutchinson in zijn roman Europe in Winter, bekroond met de British SF-Award, in ieder geval geen last. In dit derde deel van wat een ‘Fractured Europe’-tetralogie moet worden wedijvert de triller met de sciencefiction, maar voor het verenigd Europa lijkt in ieder geval een bleke toekomst weggelegd. Een continent in verval is het decor van een politieke wereldhistorische vergissing die als ‘Europese Unie’ catastrofaal heeft uitgepakt. Hutchinson weet de spanning er goed in te houden en laat als verteller goed zien hoeveel hij kan – maar als lezer denk je voortdurend: ‘Tja, Brexit hè…’

Wie afgaat op de bekroonde sf-boeken van afgelopen jaar vraagt zich onwillekeurig af of sciencefiction nog wel bestaat. De technologische fantasie heeft het moeten afleggen tegen politieke en sociale thema’s – al kondigen die zich in klassieke sf-romans als Philip K. Dicks The Man in the High Castle al van verre aan. Ingrijpender is de toenemende psychologisering van het genre, die bij Claudia Casper triomfeert. De vaak bordkartonnen karakters uit de jaren vijftig en zestig zijn uitgegroeid tot echte personages met een volwassen innerlijk.

Het is misschien te veel gezegd dat de sf daarmee ook als romantype werkelijk volwassen geworden – en zich daarmee als afzonderlijk genre op hetzelfde moment opheft. Maar vager zijn de grenzen wel geworden: niet alleen tussen fantasy en ‘harde’ sciencefiction, maar ook tussen die laatste en de maatschappelijke en psychologische rijkdom van de roman in het algemeen. Dat is winst. We hebben er in ieder geval een klein meesterwerkje als Claudia Caspers The Mercy Journals aan overgehouden.

    • Ger Groot