Opinie

    • Michel Krielaars

Oorlog in een paar steekwoorden

Michel Krielaars

‘Gehuil! Bloed en vuur! Gehuil! Nood, stront en ellende...’ Zo ervaart de 26-jarige Heinrich Böll op 29 mei 1944 de opmars van het Rode Leger aan het front in Roemenië. Hij is dienstplichtig soldaat bij de Wehrmacht en ligt in een greppel terwijl de Russische tanks voorbijrazen. De kogels vliegen hem om de oren. Zijn kameraden sneuvelen bij bosjes. Zelf raakt hij gewond. En almaar roept hij om zijn vrouw Anne-Marie, die hij in Keulen heeft achtergelaten. Ook richt hij zich voortdurend tot het opperwezen, zijn enige troost in de hel waarin hij zich bevindt.

Ik las Bölls woorden in zijn pas onlangs gepubliceerde oorlogsdagboek uit de jaren 1943-1945, Man möchte manchmal wimmern wie ein Kind (‘Je zou soms willen jammeren als een kind’). Het behoort tot de aangrijpendste oorlogsliteratuur die ik ken. Böll, een anti-nazi, schrijft niet alleen over zijn wanhoop die hij tijdens de gevechtsacties meemaakt, maar ook over het zweet, het vuil en de verveling die ermee gepaard gaan of erop volgen. De oorlog wordt op die manier tot iets alledaags. Maar tegelijkertijd maakt hij die landerigheid zo invoelbaar, dat zelfs een bezoek aan een café, het op wacht staan, een treinreis naar het front, de platte opmerkingen van zijn kameraden, het genot van een sigaret, het broekplassen uit doodsangst, een aalmoezenier die ineens dood neervalt, het uitkijken naar de veldpost en het lezen van Mark Twain iets bijzonders krijgen. Gewoon omdat de dood altijd op de loer ligt. Doordat Böll dat alles vermeldt in steekwoorden, lijkt het dagboek vaak op een boodschappenlijstje van de oorlog.

Maar als het op vechten aankomt, rest er van de jonge Böll niets anders dan een dier, dat bezig is met overleven. Zo noteert hij over zijn gesneuvelde kameraden: ‘Ooff. Scheer gesneuveld. Strieche vermist. Eten halen!!! Het vuur van de scherpschutters en Flakbunkers. Sol. Voigt! Sol. Springsguth. Sol. Bayer’. En dan de opluchting als de Russische aanval voorbij is: ‘In de ochtendschemering de bleke zon, aan de loden wolken voorbijtrekken. Het bijna innige gevoel te leven na de beschieting’.

Na lezing van dit als een facsimile uitgegeven dagboek, kun je alleen nog maar denken: zo moet oorlog zijn geweest, zo is oorlog. En daarom zijn Bölls steekwoorden razend actueel.

De Franse schrijver Éric Vuillard voegt er in zijn met de Prix Goncourt 2017 bekroonde roman L’ordre du jour een cynische noot aan toe. Zijn roman gaat niet over soldaten, maar over hen die beslissen dat het oorlog wordt. Zo beschrijft hij de ontmoeting tussen Hitler en Goering met 24 topindustriëlen, die in 1933 de verkiezingsoverwinning van de nieuwe rijkskanselier Hitler mogelijk zullen maken. Ze steunen hem slechts uit gewinzucht. Menselijk leed trekken ze zich niet aan. De concentratiekampen zijn voor hen hoogstens werkplaatsen waar hun producten tegen extreem lage loonkosten worden vervaardigd.

Vuillard laat zien dat de loop van de geschiedenis vaak afhangt van kleine momenten, zoals een diner bij de Britse premier Chamberlain, waar de kersverse Duitse minister van Buitenlandse Zaken Von Ribbentrop de Britse reactie op Hitlers annexatie van Oostenrijk weet te vertragen. Treffend schrijft hij hoe de oude elite buigt voor de proleten die in Duitsland aan de macht zijn gekomen. En daarin schuilt misschien wel het echte gevaar van een oorlog, toen en nu.

    • Michel Krielaars