Onder de champagnedouche van Dan Gurney

Necrologie Dan Gurney, coureur

De zondag overleden Dan Gurney onderscheidde zich niet door talloze overwinningen, maar wel als vernieuwer in de autosport, verantwoordelijk voor opvallende primeurs.

Dan Gurney in 1962, voorafgaand aan zijn eerste Indy 500. Negen achtereenvolgende jaren nam hij deel aan het grootste eendaagse sportevenement ter wereld (wat bezoekersaantallen betreft). Zijn beste prestaties op de ´brickyard’ waren zijn tweede plaatsen in 1968 en 1969, in 1970 werd hij derde. Als autobouwer had hij meer succes in Indianapolis: driemaal won een door zijn bedrijf All American Racers gebouwde auto de Indy 500. Foto Wikimedia Commons

De Amerikaanse coureur Dan Gurney, 1,88 meter lang, paste niet in de sportwagen die hij in juni 1967 beurtelings met zijn (kleinere) landgenoot A.J. Foyt zou besturen in de 24 Uur van Le Mans. Dus werd een deel van het dak van de Ford GT40 wat hoger gemaakt, vlak boven het hoofd van de coureur. Wat een aerodynamische ingreep lijkt, is in werkelijkheid metalen maatwerk. De ‘Gurney bubble’ maakte de rode bolide met startnummer 1 nóg opvallender.

In die ‘Summer of Love’ behaalde de afgelopen zondag op 86-jarige leeftijd overleden Gurney zijn grootste successen. Met Foyt schreef hij die dag de legendarische uithoudingsproef in Le Mans op zijn naam, waarna hij als eerste autocoureur ooit de overwinning vierde door op het podium met champagne te spuiten – het begin van een traditie. Precies een week later won hij in een auto van zijn eigen team, Anglo American Racers (AAR), een van de mooiste races in de Formule 1: de Grote Prijs van België, op Spa-Francorchamps.

Zijn laatste zege in de Formule 1 was pas zijn vierde, na elf seizoenen in de periode 1959-1970 en 86 races, maar het zou niet eerlijk zijn Gurney daarop af te rekenen. Drie van die vier zeges betroffen de eerste F1-raceoverwinningen voor Porsche, Brabham en AAR. In totaal behaalde Gurney 51 overwinningen; hij had 312 races gereden, in 20 landen en in 51 verschillende auto’s, memoreerde zijn familie kort na zijn dood, en hij was de eerste coureur die races won in Formule 1, Nascar, IndyCar en toerwagens. Alleen zijn landgenoot Mario Andretti en de Colombiaan Juan Pablo Montoya deden hem dat na.

Dat maakte de populaire Gurney, een rustige en charismatische vent, een van de beste coureurs van zijn generatie. Hij was de enige voor wie de Schotse tweevoudig wereldkampioen Jim Clark echt bang was, vertelde diens vader bij de begrafenis van de in 1968 verongelukte Clark.

Rechtdoor in de Tarzanbocht

Het was in de tijd dat de dood nooit ver weg was in autoraces – de cockpit bood de coureurs in die jaren nauwelijks bescherming en menige crash kende een dodelijke afloop. Ernstig letsel is Gurney in zijn rijke carrière bespaard gebleven – hij gold als een voorzichtige coureur, soms te voorzichtig volgens zijn landgenoot Phil Hill, wereldkampioen in 1961. Wel reed Gurney een jaar eerder op het circuit van Zandvoort met hoge snelheid rechtdoor in de Tarzanbocht. Kranten publiceerden destijds een foto van de Amerikaan die na het ongeluk met zijn (eerste) vrouw terugwandelt naar de pitstraat. Zijn rechterhand zit in het verband en er zitten bloedspetters op zijn raceoverall. Dat ongeluk kostte een achttienjarige toeschouwer uit Haarlem het leven.

Voor de zoon van een operazanger was een carrière als autocoureur niet vanzelfsprekend. Nadat Gurneys vader als tenor bij de Metropolitan Opera in New York met pensioen was gegaan, verhuisde het gezin naar Californië. Daar koos Gurney, na zijn studie en militaire dienst tijdens de Koreaoorlog, voor de autosport. Pa Gurney zong regelmatig het Amerikaanse volkslied, voorafgaand aan races waaraan Dan deelnam. In 1955 was zijn eerste raceauto een Triumph TR. Die wisselde hij al snel in voor een Porsche 356, vervolgens kwam hij via een Corvette aan het stuur van Ferrari’s. De Amerikaanse importeur van Ferrari zorgde ervoor dat de 28-jarige Gurney in 1959 in Monaco voor de renstal uit Maranello zijn F1-debuut kon maken.

Enzo Ferrari

De Italianen hadden dringend vers bloed nodig, omdat in korte tijd enkele van hun coureurs bij races om het leven waren gekomen en de verse Britse wereldkampioen van 1958, Mike Hawthorn, met racen was gestopt. Tijdens een test in Italië wist Gurney Enzo Ferrari snel te overtuigen van zijn kunnen. De Amerikaan voelde zich echter niet op zijn gemak bij het strak door Il Commendatore geleide team en vertrok daar al na één seizoen (vier races, twee podiumplaatsen).

Daarna hield hij het bij BRM ook maar één jaar vol, in een seizoen waarin hij onder meer de 1.000 Kilometer van de Nürburgring op zijn naam schreef, met de nu 88-jarige Brit Stirling Moss, in een Maserati. Pas in 1962, zijn tweede jaar bij Porsche, won hij zijn eerste race in de Formule 1. Op het stratencircuit buiten Rouen bezorgde Gurney de sportwagenfabrikant uit Stuttgart het eerste en enige succes in die klasse. Gurney had in die jaren een nauwe band met Carel Godin de Beaufort, de Nederlander die als privérijder in een Porsche F1-races reed.

‘De mooiste F1-auto’

Bij het team van Brabham (1963-1965) ging F1-coureur Gurney twee keer als eerste over de finish, in Frankrijk en Portugal, om vervolgens zijn droom uit te laten komen: in 1966 begon hij zijn eigen team, Anglo American Racers, met bijna dezelfde naam als het bedrijf All American Racers, dat hij kort daarvoor had opgericht met collega-coureur en ontwerper Carroll Shelby en bij zijn overlijden achterliet.

Uit dat initiatief kwam in 1966 de Eagle voort, de auto waarmee Gurney in 1967 de GP van België won. Het gezaghebbende Britse blad MotorSport bracht in 2000 een eerbetoon aan de twee wagens die het op de cover „The ’60’s Greatest F1 Cars” noemde: de Lotus 49, die met Jim Clark aan het stuur in 1967 op Zandvoort zijn eerste racekilometers reed, en de Eagle-Weslake – een verwijzing naar het Amerikaanse symbool de adelaar en de Britse motorbouwer Harry Weslake. De Lotus was de beste die ooit gebouwd is, aldus MotorSport, maar de Eagle „misschien wel de mooiste”.

Met als hoogtepunt de overwinning van Gurney op Spa, als eerste en enige Amerikaan in de Formule 1 in een Amerikaanse auto.

Door financiële problemen kwam het avontuur van Gurney als teameigenaar in 1968 ten einde. In dat jaar reed hij zijn laatste race in een McLaren Ford. Twee jaar later maakte de 39-jarige Gurney een kortstondige comeback toen dat team voor drie races nog een beroep op hem deed, nadat de Nieuw-Zeelandse coureur en teameigenaar Bruce McLaren was verongelukt. Daarna legde hij zich vooral toe op het leiden van zijn bedrijf, als teambaas en constructeur.

Een van Gurneys opvallendste activiteiten na zijn F1-carrière als racer was zijn overwinning in 1971 in de tweede Cannonball Run, een onofficiële race van New York naar Californië die gold als een protest tegen maximumsnelheden. Met hun Ferrari Daytona legden Gurney en co-piloot (en autojournalist) Brock Yates hun race van oost naar west af in 35 uur en 54 minuten, bij een gemiddelde snelheid van 130 kilometer per uur. „We hebben niet harder gereden dan 280”, zei Gurney met een knipoog.

Eerste in F1 met dichte helm

Gurney maakte ook naam als vernieuwer; zijn ervaringen met zoveel verschillende auto’s bezorgden hem een enorme technische kennis. Begin jaren zestig knutselde hij een leren masker in elkaar dat hij aan zijn open helm en racebril bevestigde. Zo wilde hij zich beschermen tegen opspattende steentjes die tijdens races als kogels op coureurs afkomen. Veel meer dan een experiment was dat destijds niet. In 1968 was hij een van de eerste coureurs – in de Formule 1 de eerste, op de Nürburgring – die een dichte (integraal)helm droeg, een ontwikkeling die de autosport weer wat veiliger maakte.

Eén auto-onderdeel in de racerij is zelfs naar hem vernoemd, de gurneyflap. Om een van zijn racewagens sneller te maken, bedacht hij een opzetrandje op de achtervleugel; die zorgde voor meer neerwaartse druk. Die aerodynamische vondst is niet meer weg te denken uit de racerij. Het is de tastbare nalatenschap van Daniel Sexton Gurney aan de sport waaraan hij zijn leven wijdde.

    • Ward op den Brouw