Recensie

‘Muttersuche’ is de rode draad

Jacob Van Lennep

Als schrijver was deze negentiende-eeuwer een tsunami van woorden. Uit de overweldigende biografie van Marita Matthijsen blijkt ook nog eens dat de Romantiek in Nederland wel degelijk vaste voet aan de grond kreeg.

Jacob van Lennep, schrijver, romanticus, geloofstobber Schilderij door J.A.Kruseman 1838/ Collectie Literatuurmuseum Den Haag

Wie de Nederlandse negentiende eeuw wil begrijpen komt al gauw terecht bij de figuur van Jacob van Lennep (1802-1868). Schrijver, dichter, ondernemer, oudheidkundige, beschermheer, heer van stand, geloofstobber, romanticus, realist, ironicus, (dubbel)moralist, noem maar op. Hij bewoog zich met een schier onuitputtelijke energie op vele, vele terreinen. Maar kunnen we Van Lennep zelf ook begrijpen?

Na talrijke publicaties over de negentiende eeuw, kwam Marita Mathijsen toe aan deze laatste vraag. Zij publiceert nu de imposante Van Lennep-biografie: Een bezielde schavuit.

Het komt zelden voor dat een historische figuur zelf de regels geeft waaraan levensbeschrijvingen moeten voldoen – en dus ook eentje over hemzelf. Bij Van Lennep vinden we die wel, in de inleiding bij zijn biografieën over vader en grootvader. Mathijsen vat ze zo samen: ‘De biograaf moet laten zien hoe een persoon zich naar ziel en geest gevormd heeft. Daarom moet hij ook kleinigheden bestuderen die op zich weinig belang hebben, maar door het aantal en de tijdsduur ervan toch blijvende invloed op een leven kunnen hebben. Al hoef je nu niet meteen te vermelden of hij wollen of katoenen kousen droeg.’

Moeten we dus concluderen dat Marita Mathijsen deze regels aan haar laars lapt, als ze vertelt dat Van Lennep op reis naar Engeland drie paar blauwwollen sokken in zijn bagage stopt, acht paar gebreide en twee paar geweven kousen? Integendeel. Het is tappen uit het ‘vat vol tegenstrijdigheids’ dat Van Lennep zelf belichaamde.

Chemie

Dit is één voorbeeld van de chemie tussen de biografe en haar onderwerp, waarvan Een bezielde schavuit doordesemd is. Dat door die chemie de eerste hoofdstukken van Mathijsens boek enigszins zoekend zijn, valt te begrijpen. In haar chronologische benadering van Jacob van Lenneps leven mogen vroege jeugd, vader en grootvader (beiden ook landelijk bekende persoonlijkheden) natuurlijk niet ontbreken, maar ze heeft er duidelijk minder affiniteit mee. Als ‘onze Kootje een Ko’ wordt, barst haar boek echter los. Zijn geliefde moeder komt vroeg te overlijden, Kootje/Ko is dan veertien. Dit wordt een thema – ziel, geest, vorming. De Muttersuche, aldus Mathijsen.

Van Lennep schetste in zijn pa- en opa-biografieën naast hun leven ook de (veranderende, en hoe!) politieke en maatschappelijke werkelijkheid waarin zij leefden. Hetzelfde doet Marita Mathijsen bij Jacob van Lennep. Van Napoleon, via Willem I, aanvang stoomtijdperk, de revolutie van 1848 en de ‘eerste netwerkperiode’ (spoorwegen, drukwerkexplosie, telegraaf), naar het ook literair realisme van de moderne tijd van toen, tot aan de era van Koning Willem III, wiens koningschap Van Lennep nog negentien jaar meemaakte.

Van Lennep is niet alleen met een zilveren lepel in de mond geboren, die lepel was ook nog gevuld met literatuur. Gelegenheid tot lezen en schrijven te over in zijn jeugd. Hij is daarbij dol op toneelspelen en schrijft al vroeg zijn eigen vrolijke schuifdeurstukjes. Vrolijkheid alom, die hem zelden meer zal verlaten, net als zijn ‘schavuitenstreken’. Op zijn vijfde zag hij Vondels Gysbrecht, op zijn zesde kende hij het stuk van buiten. ‘Van dat oogenblik was ik mij mijner roeping bewust,’ zou hij later schrijven. ‘Ik moest en zou autheur worden, ik was het reeds.’

Alweer: en hoe! Tsunami-achtig, een leven lang. Romantische gedichten, romans en verhalen, sterk beïnvloed door Lord Byron en Walter Scott, van wie hij ook werken vertaalde. Mathijsen knoopt er een overtuigende uiteenzetting aan vast dat, in tegenstelling met wat sommige literatuurhistorici beweren, de Romantiek ook in Nederland wel degelijk vaste voet aan de grond heeft gekregen. Onvermengd is dit bij Van Lennep niet, ook het schijnsel der Verlichting is nooit helemaal afwezig.

Afstand

Het beeld dat naar voren komt is dat Van Lennep altijd enige afstand tot zijn verhaalstof bewaart, ruimte die hij ook in het dagelijkse en maatschappelijke leven nodig heeft, adem, voor humor, satire, vrolijkheid. De enige periode waarin hij die verliest – Mathijsen schrijft dat ze hier de warme band met haar onderwerp even kwijt is – begint in de vroege jaren 1820, als de invloed van de geloofssombere dichter Bilderdijk en diens fanatieke dichtersleerling Da Costa over hem vaardig wordt. Zeker acht jaar lang zal Van Lennep ‘punniken aan de predestinatieleer’ lezen we, in Mathijsens soms bloemrijke, fraaie bewoordingen.

Ze is duidelijk opgelucht als Van Lennep in 1831, in het kader van de Tiendaagse Veldtocht tegen België, met de propagandistische klucht Dorp aan de grenzen komt, een stuk dat zijn doorbraak als ‘autheur’ zal betekenen. Samen met een onwaarschijnlijk aantal schrijvers, poëten en poëtasters kwijt Van Lennep zich hier van de nationale en maatschappelijke verantwoordelijkheid, de taak die literaire kunstenaars zeker tot 1890 zou worden toebedeeld.

Aan die opdracht heeft Jacob van Lennep meer dan wie ook voldaan, zijn hele leven lang. Verbijsterend om te zien dat hij naast enkele duizenden pagina’s per jaar (waaronder een gestudeerde Vondel-editie, vertalingen, oudheidkundige werken, populaire geschiedenisboeken, tot en met een zeemanswoordenboek) voortrekker was van projecten als de Amsterdamse duinwaterleiding, het Noordzeekanaal, Tweede Kamer-lidmaatschap, monumentenzorg (hij behoedde de Ridderzaal voor afbraak), standbeelden die de glorie van ons land vertegenwoordigden (Vondel, Rembrandt, Coster), et cetera. Bij Van Lennep gingen tegenwoordigheid en geschiedenis hand in hand, nieuw en oud, net als ernst en luim. Dat laatste soms tot in het absurde, getuige een toneelstuk waarin bloemen de bloemenkweker naar het leven staan, of een Gijsbrecht-uitvoering door acteurs in rokkostuum.

Letterdieverij

Van Lennep is zijn leven lang beschuldigd van plagiaat, was ook erg vrij in zijn ontlenen, schreef een omvangrijk essay waarin hij zich tegen letterdieverij verzette, maar beweerde niettemin in een van zijn vele redevoeringen unverfroren dat hij ‘veertig jaar had geleefd van roof en diefstal’. Moeilijk vast te pinnen, die Van Lennep.

Typisch is ook zijn later commentaar bij eigen dichtwerk, zoals op de versregel ‘Om de opgeschoten eik te scheuren van zijn stam’: ‘Noot: Een eik, die van zijn stam gescheurd wordt!, dat is evenals een gebouw waarvan het huis instort’. Bij andere regels noteert hij dat ze ‘in de knoop’ zitten, of dat het ‘een ellendige stoplap’ betreft.

Via een Vrijmetselaars-contact kreeg Van Lennep het handschrift van Max Havelaar in handen, hij bood aan de onbekende auteur ervan te helpen bij het vinden van een uitgever. Van Lennep was verbluft door Multatuli’s roman, maar nam meteen de rode pen om het allerfelste uit het boek te strepen. Moraal: we moeten geen gedonder krijgen in ons land.

Zijn eigen roman Klaasje Zevenster (1866) werd nota bene in brede kring scandaleus bevonden. En over moraal gesproken: Van Lennep huldigt het huwelijk, doch verwekt links en rechts nog enige kinderen. Kwestie van een ‘vergeten regenjas’ (condoom), zo grapt hij in een brief.

In een biografie moet een rode draad zitten, schrijft Marita Mathijsen, zij ziet Muttersuche als een bindende factor. Ik aarzel aan te nemen dat bij voorbeeld Van Lenneps extramaritale bewegingen worden aangedreven door een vroeg ontvallen moeder, en zie in deze überproductieve literator – hij beleeft met vrienden zelfs een studentikoze tweede jeugd – eerder de man van stand met pikante geheimen. In Van Lenneps tijd liepen daar heel wat van rond.

De Muttersuche in Een bezielde schavuit oogt als een nogal sweeping statement, die psychologisch wat mager wordt onderbouwd. Is het niet eerder algemener: ademruimte, (emotionele) afstand die Van Lennep in leven en geschriften altijd bleef zoeken? Tegelijkertijd geeft Mathijsens rode draad iets aanstekelijks aan haar boek. Het nodigt uit tot tegenspraak, het prikkelt: ‘kom maar op!’ Opnieuw die chemie: ook Van Lennep lijkt vaak ‘kom maar op!’ te roepen.

Een bezielde schavuit is het resultaat van ravijndiep graven. Tot en met onbekende geiligheid (‘Het naaijen is een wetenschap…’) wordt hier aan het licht gebracht. Mooi ook is hoe Mathijsen geregeld verbanden legt met onze tijd. Zo haalt ze uit het obscure Van Lennep historiestuk Een Amsterdamsche winteravond (1832) een bijfiguur te voorschijn, die à la Droogstoppel te keer gaat tegen kunstenaarschap in verband met overheidssteun. We horen meteen de echo van het ‘kunst is een linkse hobby’ in onze neoliberale dagen. En bij dat alles… Een bezielde schavuit leest als een trein. Wat een feestelijk boek.

    • Ate Jongstra