Opinie

    • Mirjam de Winter

Mevrouw Grobben

Daar zit ze dan, broos en breekbaar, op de rand van het bed dat binnen enkele weken haar doodsbed zal worden. In een te ruime, roze pyjama, roze duster, roze pantoffels en met een grote, strik van roze tule in haar lange, blonde haren. Haar ogen omrand met lichtblauwe oogschaduw. „Ik heb me toch maar een beetje opgekalefaterd”, zegt ze verontschuldigend. Want zo heeft Rotterdam mevrouw Grobben (73) tenslotte altijd gekend, als die opvallende dichteres in het roze, op haar knalgele step of op rolschaatsen. Een voorzichtige vergelijking met de excentrieke Mathilde Willink wuift ze lachend weg: „Ik ben gewoon ikke.” Maar dat ze opvalt en nagekeken wordt op straat, daar was het haar ook wel een beetje om te doen, geeft ze toe.

„Dat je er als mens mag staan”, ontdekte ze pas 13 jaar geleden, vertelt ze. Het werd haar coming-out als dichteres, levenskunstenares en bijzondere verschijning in de stad. Als kind van een arme, Charloisse schippersfamilie groeide ze op in verschillende pleeggezinnen, om daarna – naar eigen zeggen – een onopvallend bestaan te leiden als moeder en huisvrouw in Charlois. Geschreven heeft ze altijd, maar pas toen ‘het meisje van de Pompstraat’ voor het eerst met haar gedichten („of wartaal”) naar buiten trad, begon het leven voor Rieneke Minderman-Grobben.

Door de hele stad trad ze (gratis) op en las haar gedichten vanaf grote rollen papier „omdat het goedkoper is en er meer op past”. Bijna wekelijks was ze te horen op Radio Rijnmond, waar ze telefonisch of in de studio een gedicht mocht voordragen, op z’n plat Rotterdams natuurlijk. Ze bakte taarten voor de hele redactie en stuurde roze kaartjes naar zieke Rijnmond-medewerkers. En dat is ook de boodschap ze de Rotterdammers op de valreep nog mee wil geven: „Heb wat meer aandacht voor elkaar, we hebben het zo nu en dan allemaal nodig.” Zelf komt ze in het hospice in IJsselmonde op dit moment niks tekort, zegt ze, „al moet het ook weer geen lopende receptie worden”. Haar zoon Ries beheert de bezoekersagenda en haar kamer vult zich met kaarten en roze boeketten. En weet je wie er vanmorgen belde? Joris Linssen, bij wie ze als Rotterdamse paradijsvogel ooit in Showroom zat. „Ik word gewaardeerd, kennelijk.”

Dichten doet ze niet meer, omdat ze daar simpelweg de tijd en puf niet meer voor heeft. En ook haar vaste avondritueel heeft ze moeten schrappen. Vanaf haar balkon in Charlois wenste ze jarenlang voor het slapengaan de stad welterusten, in haar roze duster. Haar kleinkinderen hebben de gewoonte inmiddels van haar overgenomen. Rotterdam is haar grote liefde én inspiratiebron namelijk. Op vakantie hoefde ze nooit.

„We hebben van u genoten mevrouw Grobben”, zeg ik bij een laatste, ongemakkelijke omhelzing. En als ik op de gang nog één keer omkijk, steekt ze vanuit haar bed twee vingers als V-teken de lucht in en roept: „Luv you!”

Mirjam de Winter (@mirjamdewinter) is freelance journalist en stadsgids in Rotterdam.
    • Mirjam de Winter