Marien bioloog Lisa Becking: „Volgens mijn moeder kon ik eerder zwemmen dan praten. Ik leerde al heel jong snorkelen.”

Foto Merlijn Doomernik

‘Ik wil laten zien hoe ongelooflijk divers het leven in de zee is’

Lisa Becking Bioloog Lisa Becking onderzoekt oeroude zoutwatermeren: „Het zijn natuurlijke laboratoria van evolutie en ecologie.”

Het filmpje lijkt wel een scène uit een Indiana Jones-film. Een wetenschapper met zonnehoed en rugzak baant zich een weg door dicht tropisch oerwoud. Rondom roepen exotische vogels. Het pad daalt steil richting een open plek. Daar ontvouwt zich een idyllisch tafereel: een rond turquoise meertje, omgeven door spitse groene bergen. „Het lijkt alsof het regent”, zegt de bioloog, „maar dat zijn kwallen die tegen het wateroppervlak botsen.”

Die bioloog is Lisa Becking (39), universitair hoofddocent aan de Wageningen Universiteit. Ze werd in november verkozen tot lid van De Jonge Akademie, een platform van jonge topwetenschappers binnen de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW). Vanaf april 2018, als haar termijn officieel begint, wil ze een ambassadeur zijn van de wonderen onder de waterspiegel.

Een eind op weg is ze al, met bovengenoemd filmpje van het populaire Amerikaanse videoproject Spark of Science. Daarin vertelt Becking over haar onderzoek in de bijzondere zoutwatermeren van Raja Ampat, Indonesië. In die meren leven kwallen, soms in enorme dichtheden, maar ook vissen, sponzen, schelpen en andere weekdieren. „Het zijn natuurlijke laboratoria van evolutie en ecologie die een paar duizend jaar oud zijn”, vertelt ze. „Ze bieden een uniek inkijkje in de ontwikkeling van diversiteit.”

Was je altijd al geboeid door de zee?

„Volgens mijn moeder kon ik eerder zwemmen dan praten. Elke zomer gingen we naar Menorca. Daar leerde ik al heel jong snorkelen. Toen ik zag wat er allemaal onder water leeft… Daar wilde ik alles van weten. Als tiener leerde ik een marien bioloog kennen en toen wist ik het zeker: dát wil ik worden. Ik wilde dat systeem leren begrijpen. Die nieuwsgierigheid heb ik nog steeds.”

Wat zijn dat voor plekken, die zoutwatermeren?

„Mariene meren zijn kleine stukjes zee omsloten door land. Een soort binnenstebuiten eilanden. Je vindt ze vooral in kalksteenlandschappen. Via poreus gesteente, met allerlei kleine scheuren, staan de meren in verbinding met de nabijgelegen zee. Je hebt ze in allerlei soorten en maten. Ze verschillen bijvoorbeeld in temperatuur en zuurgraad, maar ook in de mate waarin ze nog via de ondergrond in verbinding staan met de zee.”

Hoe komt al dat leven daarin terecht?

„Al die meren zijn ontstaan in de afgelopen 10.000 jaar, sinds de laatste ijstijd. Tijdens de ijstijd stonden de meren droog, maar daarna liepen ze door zeespiegelstijging vol met zeewater. Dat zeewater bevatte sporen en larven van allerlei mariene organismen, die opeens een heel nieuwe habitat hadden om zich in te ontwikkelen. Sommige meren hebben nu nog veel toestroom vanuit de zee, andere zijn juist heel geïsoleerd.”

Komen er nog steeds veel nieuwe planten en dieren binnen?

„Dat is een van de dingen die we nu onderzoeken. Ik gebruik genetische technieken die ik aan de Universiteit van Berkeley heb geleerd om te bepalen hoe geïsoleerd de populaties zijn, hoe ze zijn aangepast en welke genen daarbij een rol spelen. Uiteindelijk wil ik graag weten: waarom leven er op sommige plekken in de zee weinig soorten en op andere juist heel veel? Hoe ontstaat die diversiteit? Welke mechanismen uit het verleden hebben de huidige diversiteit gevormd en welke spelen er nu nog steeds? Mariene meren zijn ideaal om dat op kleine schaal te bestuderen.”

Komen daar opvallende dingen uit?

„Stel, je start met twee lege meren, dicht bij elkaar, die even groot zijn en hetzelfde milieu hebben, en dan tegelijkertijd vol met zeewater lopen. Dan zou je verwachten dat je dezelfde soorten in beide meren vindt, als je ervan uitgaat dat het milieu de verspreiding van soorten bepaalt. Maar dat is niet wat we vinden, in deze meren maar ook in andere tropische ecosystemen. Misschien spelen er willekeurige factoren een rol, zoals de volgorde waarin soorten een nieuwe plek veroveren. De eerste soort kan een voordeel hebben, puur omdat hij zonder concurrentie snel in aantal kon toenemen. Zo kunnen meren met dezelfde milieuomstandigheden toch een totaal andere soortensamenstelling hebben. Dát wil ik graag begrijpen. Hoe bepalend is geschiedenis in het ontstaan van verscheidenheid? Hoe voorspelbaar is evolutie? Daar willen we met theoretici en modelleurs graag verder mee aan de slag.”

Wat kun je daarmee?

„Ik ben vooral geïnteresseerd in hoe ecosystemen functioneren. Die fundamentele vraag drijft al mijn onderzoek. Maar tegelijkertijd vind ik het vertalen van onderzoek naar de praktijk heel belangrijk. De zee verleent ons allerlei nuttige diensten en als we willen dat dit zo blijft, dan moet ze wel gezond blijven. Daarom werk ik óók parttime als consultant voor een marien onderzoeksinstituut, waar ik ecologisch onderzoek doe aan natuurbeleid en -bescherming.”

Kun je een voorbeeld noemen?

„Ik werk mee aan een koraalherstelproject, waarin we onderzoeken hoe je het beste gezonde koralen kunt kweken. We gebruiken genetische technieken om de effecten van de kweek te volgen en om snelgroeiende en weerbare koralen te selecteren. Als we die uitzetten, dan kan het rif zich beter herstellen en ontstaat er ook weer nieuw leefgebied voor vissen en andere dieren.”

Wat wil je gaan doen binnen De Jonge Akademie?

„Ik wil laten zien hoe ongelooflijk divers het leven in zee is. En wat er in Nederland allemaal voor mooi marien onderzoek plaatsvindt. Daar hebben mensen veel te weinig weet van. De Jonge Akademie heeft al een project dat wetenschap en kunst samenbrengt. Daar zou ik bijvoorbeeld schrijvers aan wetenschappers willen koppelen, om ze elkaar vragen te laten stellen, elkaar te laten zien hoe zij de wereld observeren.”

Becking is even stil en noemt dan ook een grotere ambitie: „Nadenken over hoe je het academische systeem zo kan inrichten dat er meer ruimte is voor associatief en intuïtief denken. Nu is het systeem sterk gericht op rationeel denken, terwijl wetenschappelijke doorbraken vooral voortkomen uit creativiteit. Ik zou bijvoorbeeld kunstenaars, docenten en wetenschappers uit verschillende disciplines twee weken bij elkaar op een schip willen zetten, buiten hun vertrouwde omgeving, om samen één probleem te bestuderen. Als je hun denkproces goed documenteert en analyseert, dan kun je dat misschien op grotere schaal gebruiken. Ja, dat lijkt me heel erg mooi.”

    • Nienke Beintema