‘Ik wil dat je echt iets ziet’

Hans Tentije Dit weekend ontvangt Hans Tentije de Constantijn Huygensprijs voor zijn hele oeuvre. Zijn poëzie is eerder vertellend en concreet dan lyrisch, duister en taalvernieuwend.

Soms is poëzie zo helder als een vergrootglas. Dan zie je door een gedicht meer, véél meer, dan je daarzonder zou hebben gezien. Zo is de poëzie van Hans Tentije. Die is een kijkgat naar het verleden met zijn onachterhaalbare gebeurtenissen. Alsof de werkelijkheid doorschijnend is geworden en rustig prijsgeeft wat er hier, op de toevallige plek waar de dichter is aangekomen, gebeurd is. Grote en kleine dingen, doorspekt met concrete details.

Deze poëzie moet ‘onmiddellijk in alle wereldtalen vertaald worden’, schreef Piet Gerbrandy in de Volkskrant toen hij Tentijes tiende bundel, Wat het licht doet (2003), gelezen had. „Dat is natuurlijk niet gebeurd,” grinnikt Hans Tentije (1944) die sindsdien nog zeven bundels heeft geschreven. Hij neemt dit weekend de Constantijn Huygensprijs voor zijn hele oeuvre in ontvangst en daar is hij blij mee. Tentije is veel op reis, in zijn poëzie maar ook in het echt. Soms zegt hij trouwhartig: „Wat in dat gedicht staat, dat was ook in het echt zo.” Op de plekken die in de gedichten genoemd of bezocht worden, is altijd iets gebeurd, eventueel verzonnen gebeurtenissen, maar die zouden daar best hebben kúnnen plaatsvinden. Zo wordt de werkelijkheid, via het verleden, gevuld met betekenis.

Tentije gelooft niet zo in het heden. ‘Er is geen onversneden heden’ schrijft hij in zijn laatste bundel Om en nabij (2016). En elders staat het zo: ‘Gebrekkig toegerust/ als wij zijn voor elk en ieder heden’. Wat doet hij dan, als hij op reis gaat? Wat is er te zien, als het het heden niet is, in Praag, in Orvieto, op Rügen, in Triest?

Dat kan hij van tevoren nooit weten, zegt hij. Er kan zich onverwacht iets voordoen, op bepaalde plekken kan hij ineens het gevoel krijgen van ‘hier is iets gebeurd’. Of van ‘ik zou me kunnen voorstellen dat hier iets gebeurd is.’ Hij lacht: „Niets paranormaals of zo hoor.” Hij was bijvoorbeeld in Praag, op een klein eilandje in de Moldau dat Dětský Ostrov heette. De plek intrigeerde hem, er was een kinderspeelplaats en een ondiep bassin van voor de oorlog, waar kinderen in het water konden spelen. Hij schreef er een gedicht over ‘Jouw voet, jouw meisjesvoet’. In het gedicht is er de (verzonnen) herinnering aan de voet van een meisje boven het water van het nu leeggelopen bassin, en iets van de beweging van haar stap of sprong ziet hij later terug in een ander Praags park ‘toen op het asfalt daar/ een hinkelbaan getekend lag, de dunne krijtstreep/ tussen Hemel en Dood/ al bijna door de regen uitgewist.’

Jaren later ontdekte hij dat het eilandje vroeger heel anders had geheten: Judeninsel. „Dan krijgt zo’n gedicht ineens een heel andere lading. Wat ik daar proefde, die regels over die dunne krijtstreep tussen hemel en dood, dat kwam toch niet nergens vandaan.”

In een later gedicht komt het eilandje nog eens terug, als hij de foto’s van de Tsjechische de fotograaf Josef Sudek (1896-1976) na-zwerft. Ineens is daar dan weer ‘het ovale kinderbassin/ dat er al was toen dit eiland in de Moldau nog/ het Judeninsel heette’. Nu komt er ’s zomers ‘geen kind haast’ meer, ‘rillend ondanks de hitte, naar de banken toegerend/ waar grootmoeders en kindermeisjes/met een handdoek wachtten,/ een versnapering’.

Je ziet het voor je. De handdoek. De plak koek. De rillende kinderen want het is altijd koud als je uit het water komt. En we weten wel waarom er nu geen kinderen meer komen: ‘het gesmoes, geroezemoes, gejoel/ werd bijeengedreven’.

Wat je op een foto van dat parkje nooit zou zien, zie je wel als je het gedicht leest.

Tentijes poëzie is eerder vertellend, concreet, dan lyrisch, duister, taalvernieuwend. Dat zijn dingen waar hij niet zo om geeft. Hij houdt ook niet van vergelijkingen, metaforiek, sentiment. „De klankwerking is bij mij belangrijk,” zegt hij, „metriek, een goed gebruik van het enjambement.” Hij varieert graag in regellengte zodat een gedicht er niet al te massief en onbenaderbaar uit zal zien: „Ik wil ruimte op de pagina.” Vandaar ook dat hij geen punten zet, hooguit eens een liggend streepje. Geen afsluiting, maar mogelijkheden. Geen beelden, maar concrete dingen, plaatsen, gebouwen, rivieren. „Het gedicht zelf moet het beeld zijn”, vindt hij.

In de bundel Wat het licht doet komt de dichter terecht bij een dertiende-eeuwse gothische kathedraal van Avioth, een klein dorp in het noordoosten van Frankrijk. Ooit moet men gehoopt hebben dat er veel pelgrims zouden komen en dat het dorp, gelegen aan de pelgrimsroute naar Santiago, flink in omvang zou toenemen. Maar dat is nooit gebeurd. Nu staat daar het kantwerk van de geruïneerde kathedraal, onder de dakgoten houden zich allermerkwaardigste gedrochtelijke spuwers op met grote geslachtsdelen, ze kijken uit over een landschap waarin veel is gebeurd: dit gebied was altijd een slagveld.

Tentije kwam er onverwacht. Dan zie je niet veel meer dan een verlaten kathedraal, zeg ik. Hoe wordt zoiets dan een gedicht?

Hij dacht aan het dorp, en aan dat je ook wel dáár had kunnen opgroeien ‘mokkend lepelend/ ’s avonds boven het geblokte tafelzeil’. En dan gebeurt het alweer, de lezer wordt het gedicht in getrokken en gaat dingen zien, zichtbare zoals dat tafelzeil en de afgedankte ploegijzers in het dorp, en onzichtbare zoals ‘de beenwindselen, de brieven/ van thuis, de granaatinslagen, insignes/ en naamplaatjes’. Tentije neemt ons mee de kathedraal in waar een schimmelige geur hangt, waar tijdens de Grote Oorlog paarden gestald werden en waar nu ‘de bedorven adem Gods’ nog hangt en ons de kerk weer uitjaagt.

Beetje anti-katholiek wel.

Klopt, zegt Tentije. Hij is als jongetje bij de nonnen op de kleuterschool geweest, er was toen geen openbare kleuterschool in Wijk aan Zee waar hij woonde „en blijkbaar wilde ik heel graag naar school, met andere kinderen spelen. Ik was enig kind.” In een hoek van de speelplaats stond een kolenhok, en als de deur daarvan wel eens heel even openging zag je een zee van zwarte briketten. Daar zouden jongetjes heen gestuurd worden die straf hadden. De katholieke kinderen noemden het ‘de hel’. Verder waren de nonnen heel lievig, „vooral tegen mij”, zegt hij, hij denkt omdat hij niet katholiek was. „Die rare discrepantie tussen die straf en dat lieve, dat zat me dwars.” En dat heeft de katholieke kerk nog wel voor hem. De tanks van Mussolini zegenen, dreigen met straffen. Maar ook al die aandacht en schoonheid, dat ook.

Dat er in zijn gedichten wel altijd meer mis is, meer gruwelijks en pijnlijks, dan dat er positieve dingen te zien zijn, zeg ik. Neem het gedicht ‘In den beginne’ waarin hij de ontstaansgeschiedenis van de wereld ontkent (‘Eens was er niets, niets, niets woests en ledigs’) en opsomt wat er allemaal niet is: doorbuigende galgen, verradersloon, gekantelde tramwagons, afluistermicrofoons, zwaar bestookte konvooien, het verregende uitzicht, enzovoort.

„We leven in een prachtige maar ook heel gruwelijke wereld,” zegt hij. Dat wil hij laten zien, zonder er verder iets mee te willen zeggen. Dan wordt het pamfletterig. Maar er zijn „wèl lichtpuntjes” wijst hij: staat in dat gedicht ook niet dat sommige prachtige muziek zou ontbreken, Mendelsohn, Coltrane, en ook Vermeers Gezicht op Delft?

Dus alleen kunst biedt een lichtpuntje? „Er zit ook veel natuur in mijn poëzie”, zegt hij „en landschappen en daar kan ik ook echt van genieten.” Maar dan staat er altijd wel ergens een verroest gebouwtje, er komt stank uit een buis, er blijkt een lijk aangespoeld, zeg ik. Hij lacht: „Ja ik geef het toe.” Zo werkt zijn verbeelding nu eenmaal.

Ik probeer er meer van te weten te komen. We kijken naar het gedicht ‘Schaduwmanoeuvres’ waarin de lezer een perron te zien krijgt en ineens blijken we in een man terechtgekomen te zijn, het is het Saarland, 1935, de man meldt zich aan bij de nieuwe orde „omdat hij echt meent/ dat er orde op zaken moet worden gesteld” en voor je het weet zit je in een bordeel achter het front waar deze man verantwoordelijk is voor de meisjes. Wat gebeurt daar allemaal?

Ja, zegt Tentije, hij had een foto gezien met een paar mensen op een station, staalfabrieken op de achtergrond, die deden hem denken aan Wijk aan Zee. „Ik moest iets met de jongere man op de foto.” Hij kende een ijzerwinkel in Hoorn, „met een achterwand met allemaal van die houten laatjes, waarin een man werkte die zonder te kijken uit elk laatje het goede gereedschap kon pakken.” Die winkel werd van de vader van de jonge man. „Dan gaat hij zich afvragen: wil ik later net zo’n grijze stofjas worden? En dan meldt hij zich aan. Dan ontstaat er een geschiedenis.”

Doorspekt met tekenende details: de vader heeft bijvoorbeeld een ‘verzilverde, van zijn eigen initialen voorziene’ sigarettenkoker. „Ik wil dat het concreet wordt,” zegt Tentije, „dat je echt iets zíet, zoals zo’n sigarettenkoker waaruit de vader sigaretten offreert. Later in het gedicht heeft de zoon een longschot opgelopen terwijl hij ergens buiten stond te roken. Hahaha! Dan wrijf ik bijna in mijn handen als ik zoiets bedacht heb.”

Op een gegeven moment in het gedicht blijkt dat de dichter weer van zijn personage af wil. „Dan schrijf ik ‘Wanneer laat hij mij eindelijk met rust?’ Je denkt wel eens dat je de baas bent als je aan het schrijven bent, maar dat is niet zo. Alleen stilistisch, niet inhoudelijk.”

Je hoort het vaker, maar het is eigenlijk vreemd, peins ik. Want waarom zou iemand dan schrijven?

„Ja dat moet blijkbaar,” zegt Tentije. „Ik weet niet goed waarom. Mijn vriend de fotograaf en schilder Peter Bes, met wie ik veel samengewerkt heb, zegt altijd: ‘ga nooit naar een psychiater, want dan wordt je bedrijfskapitaal vernietigd’.”

    • Marjoleine de Vos