Hij bestal vroeger toeristen, nu helpt hij daklozen en dealers

Mohamed Bakayan (50) was drugsverslaafd en bestal toeristen in Amsterdam. Nu probeert hij daklozen en verslaafden over te halen iets van hun leven te maken. „Ik heb het geluk dat mijn familie mij nooit heeft uitgekotst.”

Foto Bram Budel

Mohamed Bakayan verdiende in de jaren 80 en 90 zijn geld op de Wallen in Amsterdam en had een volle werkweek. Van maandag tot woensdag verkocht hij bolletjes cocaïne en heroïne, van donderdag tot zondag lag het accent op het bestelen van toeristen. Met de honderden guldens die hij elke dag scoorde kocht hij de mooiste Nikes en de duurste trainingspakken en bekostigde hij zijn eigen verslaving aan harddrugs.

Nog steeds is Bakayan (50) dagelijks op de Wallen te vinden. Nu als teamleider van Veldwerk Amsterdam, een organisatie die mensen met psychische problemen opspoort en hulp aanbiedt. Bakayan scheurt elke dag op zijn Vespa van pleintje naar plantsoen, op zoek naar daklozen, dealers en verslaafden die hij probeert over te halen om iets van hun leven te maken.

„Ik ben de enige veldwerker van de organisatie met een strafblad”, zegt hij in een café. „Ik kwam op mijn achttiende al in de Bijlmerbajes terecht, op de afdeling met Willem Holleeder. Ik heb zo vaak in die gevangenis gezeten dat ik bijna alle torens heb gehad.” Hij lacht hard met zijn doorrookte stem, zoals hij vaker in het gesprek zal doen, en zegt: „Sorry, ik lach er nu om, maar dat is natuurlijk een beetje triest.”

Na „honderden” sollicitaties kreeg de vlot pratende Bakayan op zijn negenendertigste een baan als activiteitenbegeleider bij de hulpverleningsorganisatie Streetcornerwork. Hij kon met verslaafden papier prikken op schoolpleinen. Maar al snel mocht hij als veldwerker aan de slag. „Ik kende bijna iedereen op straat. En ik kan me goed verplaatsen in de mensen die ik help. Bovendien weet ik welke argumenten ik moet gebruiken om ze in beweging te krijgen.”

De hardste klappen

Agenten die hij nog van de straat kende, benaderden hem toen hij zich bij Veldwerk Amsterdam aansloot. Hun probleem: een groep van zeshonderd ‘veelplegers’ bleef in beeld komen en straffen werkte niet. „Wij gebruiken hulp als wisselgeld”, zegt Bakayan. „We regelen je daklozenuitkering, maar dan ga jij wel een behandeling aan, naar de opvang en naar een dagbesteding.”

Bakayan is geboren in het Rifgebergte in Marokko, hij was een kleuter toen het gezin naar Amsterdam verhuisde voor het werk van zijn vader. Als oudste kreeg hij de hardste klappen, vertelt hij. „Mijn vader is streng religieus. Ik mocht niet mee op schoolreisjes. Ik mocht niet op voetbal. En in het weekend moest ik naar de moskee voor Koranles. Dat haatte ik als de pleuris, want mijn Arabisch was gebrekkig. Die ouwe wilde alles voor me bepalen, ook mijn opleiding. Of ik advocaat moest worden? Nee, automonteur.”

Tevreden? Ben je gek. Ik heb twintig jaar weggegooid

Het resultaat was dat hij in permanente staat van oorlog met zijn ouders en leerkrachten verkeerde. Hij werd van technische school naar technische school gestuurd en hing veel op straat. Op de Don Boscoschool stal hij geld uit de portemonnee van Louis van Gaal, toen nog geen bekende voetbalcoach maar gymleraar. „Ik was een gefrustreerd en ongelukkig kind. Ik voelde me niet geliefd”, zegt Bakayan. „Als ik zag dat andere kinderen door hun vader werden vastgehouden, kreeg ik een vreemd gevoel, omdat ik dat niet kende. Op straat vond ik kameraadschap bij de oudere jongens, boefjes.”

Toen hij uiteindelijk op zijn zestiende voor de kinderrechter moest verschijnen, besloot zijn vader om hem naar zijn geboortedorp in Marokko te sturen. „De intentie was om mij bij een automonteur te droppen en voor altijd achter te laten”, zegt Bakayan. Maar dat plan mislukte. „In mijn dorp werd hennep verbouwd. Ik heb op een dag twee ezels volgehangen met hasj, ben naar de stad Nador gelopen en heb alles verkocht. Toen mijn vader daar lucht van kreeg, haalde hij me gelijk terug naar Nederland.”

Bakayan was inmiddels achttien en had leren blowen. Kapotte auto’s kon hij nog altijd niet repareren. Hij ging dealen in de binnenstad van Amsterdam en raakte rond zijn twintigste ernstig verslaafd aan het roken van heroïne en cocaïne. „De drugs gaven me een warm gevoel. Alle vervelende gevoelens en gedachten verdwenen. Ik was teleurgesteld over mijn leven. Dat ik geen goede opleiding had gedaan. Dat ik aan het hosselen was. ’s Ochtends dacht ik: Oh jee, de normale mensen komen nu op straat. Ik schaamde me dood als ik overdag met ze in de bus of metro zat.”

In zijn slechtste periodes was hij dagen achter elkaar wakker en had hij bloedende voeten van het lopen. „Ik probeerde niet af te kicken, omdat ik dacht dat mijn leven niet beter zou worden. Het was al einde oefening, voor mijn gevoel.”

‘Drogeren kwam weleens voor’

Hij stal om de drugs te kunnen betalen en probeerde op een verknipte manier anderen te behoeden voor zijn lot, zegt hij. „Straatroven was niet mijn ding. Daar had ik te veel gewetensbezwaren bij. Maar toeristen die dope kochten kon ik een goed lessie leren, dacht ik. Misschien wilden ze daarna niks meer met drugs te maken hebben.” Zijn strategie? „Ik papte met ze aan. Maakte vriendjes. Rohypnol was destijds een gewild middel om toeristen mee te drogeren, zodat je ze makkelijk kan bestelen. Je kunt dat spul fijnmalen en het dan in hun drankjes of eten doen.” Hij valt even stil en zegt: „Schrijf maar op: drogeren kwam weleens voor.”

Doet hij het veldwerk ter compensatie van de rottigheid die hij heeft uitgehaald? „Nee, dat speelt geen enkele rol,” zegt Bayakan. Heeft hij medelijden met de mensen die hij helpt? „Nee, ook niet”, zegt hij. „Het is triest, maar ze doen het vaak ook zichzelf aan.”

Hij vertelt over de adrenalinekick die híj krijgt als hij zijn doelstellingen haalt. „De recidive van de groep veelplegers is met vijfenzestig procent verminderd.” Even later voegt hij toe: „Ik krijg een heel lekker gevoel als iemand door mijn interventie zijn leven op de rit krijgt. Ieder mens verdient een menswaardig bestaan. En sommigen worden door omstandigheden dakloos of verslaafd. Dat kan jou en mij, dat kan iedereen gebeuren.”

Zelf was hij nooit dakloos, zegt hij. Hij sliep soms maandenlang in drugspanden maar had ook een eigen kamertje bij zijn ouders. Zijn moeder zette altijd eten en drinken neer. „Ik heb het geluk dat mijn familie mij nooit heeft uitgekotst. Als ik in de bajes zat, kwamen ze op bezoek en brachten ze kleren en geld.” En zijn vader? „Hij praatte nooit met mij. Ik bestond niet voor hem. Hij tolereerde het dat hij me af en toe zag.”

Rust gevonden

Toen hij op zijn vijfendertigste in een justitieel programma voor verslaafden terechtkwam, was dat de laatste keer dat hij vastzat. Hij had „te veel mensen dood zien gaan” en besloot te stoppen met de methadon. Dat het afkicken in één keer lukte, kwam omdat hij van zijn instelling de kans kreeg om zichzelf te ontwikkelen, zegt hij. Zijn begeleidster, later de moeder van zijn kinderen, moedigde hem aan om zijn Europees Computer Rijbewijs te halen. Zijn eerste diploma. En hij mocht voetballen bij JOS Watergraafsmeer. „De trainers vroegen naar mijn verhaal en daarna heeft de club mij altijd gesteund. Ik ben er nog zeven jaar jeugdtrainer geweest.”

Bakayan heeft rust gevonden, zegt hij. Het is weliswaar uit met zijn vriendin – zijn „obsessie” met het veldwerk werd haar te veel – maar de kinderen en zijn baan geven zin aan zijn leven. Hij slaapt goed en functioneert zo goed als normaal. „Ik heb wel een sociale handicap. Afspreken voelt ongemakkelijk. Ik vertrouw mensen niet snel. In de drugsscene was niemand elkaars vriend, tenzij je elkaar nodig had. Maar ik ben niet eenzaam. Ik heb één goede vriend en ga elke week op bezoek bij mijn familie. Of ik tevreden ben met mijn leven? Ben je gek. Ik heb twintig jaar van mijn leven weggegooid. Het was alsof ik sliep, maar nu ben ik wakker.”