Opinie

    • Tom-Jan Meeus

De voortekenen van Oprah- en Trump-effecten in Den Haag

Deze week: kán Rutte III nog invloed uitoefenen op het eigen imago?

Ofwel: overprikkelde burgers en Bekende Personen als politici van de toekomst.

Tekst: / Illustratie:

De verhoudingen binnen Rutte III beginnen helder te worden – voor het kabinet zelf tenminste. De buitenwereld moet er nog achter komen.

De gewenningsperiode is voorbij. Nieuwe ministers die willen begrijpen wat een passage uit het regeerakkoord precies betekent, weten dat ze discreet kunnen appen of bellen met Carola Schouten, de CU-vicepremier: zij was erbij in de formatie, zij snoeft nooit, maar zij weet alles.

Hugo de Jonge, haar collega-vicepremier van het CDA, heeft niets van haar terughoudendheid. Hij is een nieuwkomer in Den Haag maar laat zich intern nadrukkelijk gelden, ook tegenover Rutte: hij heeft meningen, hij praat gretig mee.

In vicepremier Kajsa Ollongren (D66) menen kabinetsleden de topambtenaar te herkennen die zij ooit was: zeer collegiaal, niet erg uitgesproken.

Van de vicepremiers heeft Schouten de meeste politieke ervaring. Zij nodigde bijna alle collega-bewindslieden uit voor een kennismakingsetentje of -ontbijt, waarmee ze zich impliciet aanbood voor een vertrouwensrol.

Ministers kennen nu hun positie op de informele pikorde. Zo weten ze dat Ferdinand Grapperhaus geen eerste keus voor Justitie en Veiligheid was – zijn post was in de formatie toebedeeld aan de VVD, en kwam pas in CDA-handen toen de VVD niemand kon vinden.

Ze weten dat het 76ste Kamerlid, Pieter Omtzigt, binnen niet al te lange tijd het CDA-woordvoerderschap inzake MH17 terugkrijgt: ook die plooi zal uiteindelijk worden gladgestreken.

Ze zijn bijna allemaal zeer gecharmeerd van de ideeënmachine in het hoofd van Eric Wiebes. Evengoed zien ze dat dezelfde Wiebes, met klimaat en Groningen, een loodzware taak wacht. De enige die daarbij in de buurt komt is de vrolijke Wouter Koolmees, wiens twee grote projecten, arbeidsmarkt en pensioenen, stuiten op totaal gebrek aan medewerking in de polder, vooral bij de vakbonden.

En ze weten dat ze de buitenwereld niet langer kunnen ontlopen: Rutte III hield zich tot nu toe overwegend verscholen voor het grote publiek. Rustig aan, geen reuring: de oppositie zo min mogelijk brandstof bezorgen.

Maar met nieuwe wetgeving, lokale verkiezingen en een referendum op 15 maart in het verschiet, is de tijd van schuilen voorbij – ook al zijn veel omstandigheden en trends nogal ongunstig.

Lees ook: Nieuw ‘vuur’ bij de SP en toch net als vroeger

Zelf leek die terughoudende start me trouwens geen slecht idee: burgers verwachten minder van de politiek dan de politiek vaak denkt.

Maar het effect is dat het nieuwe kabinet zijn imago in handen van zijn tegenstanders heeft gegeven. Twee relatief kleine maatregelen, afschaffing van de dividendbelasting en de btw-verhoging, werden beeldbepalend, hoewel ze amper representatief zijn voor de gematigde kabinetsagenda.

Gevolg is dat behalve de CU de coalitiepartijen het matig doen in de peilingen, vooral het CDA. Gevolg is ook dat Baudet zich zonder competitie als alternatief heeft kunnen opwerpen. En links is weer zoekende: het nieuwe SP-gezicht Lilian Marijnissen oogt veelbelovend, maar de PvdA scoorde schitterend in eigen doel, eindeloos herhaald, inzake Kamerlid Moorlag.

En onder dit alles sluimert een grotere vraag: kán je als kabinet nog invloed uitoefenen op je imago?

Je hebt natuurlijk de schreeuwers die claimen dat ‘de overheidspropaganda’ elk zicht op de feiten belemmert. Maar de werkelijkheid is dat het online mediaklimaat, gedomineerd door sociale media, een informatie-overvloed creëert waardoor niemand nog greep op zijn imago heeft.

Daar kun je tevreden over zijn: elke stem telt mee, heel democratisch. Maar we zien het omgekeerde: uitgerekend sociale media blijken het platform waarop mensen klagen dat ze niet gehoord worden.

Ook daar kun je nog een positieve draai aan geven: de uitgeslotenen komen zo in beeld en kunnen zo bediend worden met nieuwe partijen en gezichten (Denk, Baudet, eerder 50Plus, PvdD, et cetera).

Het ingewikkelde is alleen dat de gefragmenteerde Tweede Kamer die dit oplevert, hetzelfde manco heeft als die onlinemedia: er zijn zoveel verschillende geluiden dat totaaloverzicht onmogelijk is, en hiërarchie amper is aan te brengen.

Het overaanbod van mediaprikkels creëert dus ook overaanbod van politieke prikkels – zodat zicht op het grote geheel steeds lastiger is.

En het uiteindelijke effect is schokkend ondemocratisch: bekendheid, niet kwaliteit of vindingrijkheid, krijgt zelfstandige politieke betekenis, zeker nu zoveel burgers matige of geen politieke interesse hebben.

Er is eindeloos gezegd dat Trumps zege in 2016 het product is van mensen die zich verwaarloosd voelden door de nationale politiek. Daar zit veel in.

Maar zijn enorme bekendheid in de VS was een ongekend voordeel bij zijn opkomst: door de fragmentatie tijdens de Republikeinse voorverkiezingen (zestien tegenkandidaten – een soort Tweede Kamer) sprong hij er vanzelf uit.

Lees ook de column van Frits Abrahams: Oprah als president?

Het was dan ook angstaanjagend hoe enthousiast links Amerika reageerde op de toespraak van Oprah Winfrey bij de Golden Globes. Niet om haar steun voor de #metoo-beweging. Maar om de gevolgtrekking die Democraten in het Trump-tijdperk aan één goede speech van een bekend persoon gaven: geknipt als presidentskandidaat.

Geen idee of zij reële plannen heeft, maar het gaat me om de diepte van de crisis die dit blootlegt: de knieval voor het idee dat ook Democraten wel een nationale bekendheid moeten presenteren om nog kans bij de kiezer te maken.

In dat geval is bekendheid een voorwaarde voor politieke kansen geworden in het socialemediatijdperk. Wat eerst een hulpmiddel leek om elke burger te laten meepraten, resulteert er dan in dat alleen de bekende burger nog kans maakt verkozen te worden – een fundamenteel ondemocratische uitkomst.

Je kunt zeggen dat dit altijd zo geweest: bekendheid helpt al decennia bij het verwerven van politieke posities – van acteur Reagan tot en met zwemster Erica Terpstra. Het verschil is dat bekendheid bij die mensen een hulpmiddel was: nu dreigt het een voorwaarde voor verkiesbaarheid te worden.

In Nederland is het zover nog niet. Dat is waar. Maar de fragmentatie van de Kamer en de problemen die elk kabinet voortaan heeft om, temidden van die fragmentatie, het eigen imago te beïnvloeden, laat zien dat we hier onderhevig zijn aan dezelfde trends.

Dus is het ook een kwestie van tijd voordat hier een bekend gezicht een partij overneemt. (Het meerpartijenstelsel belemmert daarna natuurlijk kansen op instant succes in het bestuur.)

Wel zou een direct door de bevolking gekozen burgemeester, die deze week iets dichterbij kwam, de gelukzoekende Bekende Nederlander kunnen helpen. Iets van dit verschijnsel zien we al onder de lijstduwers voor gemeenteraden. Bijvoorbeeld in Den Haag kun je straks stemmen op darter Raymond van Barneveld, tapijtkoning John van Zweden (beiden Groep De Mos) en beroeps-gewone-Nederlander Henk Bres (PVV).

Maar zoals dat gaat: kabinetten hebben zelden tijd voor dit soort fundamentele trends, opgeslokt als ze worden door de dagelijkse dingetjes. Zo was er sinds vorige week voor het eerst serieus ongemak in de coalitie. CU-Kamerlid Eppo Bruins zinspeelde na nieuwjaar in het AD op uitstel van opening van vliegveld Lelystad: de CU-achterban klaagt er nogal over.

VVD en CDA waren not amused: zij zeiden intern dat ook hun achterban ontevreden is over het vliegveld maar dat zij wél hun verantwoordelijkheid dragen.

De CU wees op procedurefouten waardoor het vertrouwen van burgers was geschaad, net als bij het Groninger gas en, onlangs, inzake het WODC.

Dat verhoogde de feestvreugde niet, en zo kwam het eerste haarscheurtje in de coalitie in beeld, waarbij opviel dat de gehaaidheid in deze samenwerking veel groter is dan tijdens Rutte II.

Dat is, tot nu toe, ook het verhaal van de nieuwe coalitie: interne én externe factoren die belemmeren dat het kabinet zichzelf een goede reputatie bezorgt.

    • Tom-Jan Meeus