De duif besteedt héél veel tijd aan zijn veren

Alledaagse wetenschap Wekelijks stuit Karel Knip in de alledaagse werkelijkheid op onverwachte raadsels en onbegrijpelijke verschijnselen. Deze week: waarom zijn houtduiven zo secuur in hun persoonlijke verzorging?

Houtduif bezig met de dagelijkse veerverzorging. Foto: alamy/imageselect

Is er een vrediger beeld denkbaar dan dat van een poes die zich na de maaltijd bij de kachel zit te wassen? Jazeker! Denk eens aan een houtduif die zich op een open plek in het gebladerte bezighoudt met de verzorging van het verenkleed. In het zonnetje. Eerst wat rommelen tussen de borstveren, dan onder de linkeroksel, de rechteroksel, ten slotte de staart. En dan weer opnieuw.

Kijk hier hoe een houtduif zijn veren poetst

Zelfs de onbewuste registratie van het gedoe kan een mens in een milde stemming brengen. Tot het moment dat hij, overgaande op bewuste registratie, vaststelt dat de duif in zijn blikveld wel héél veel tijd uittrekt voor de verenverzorging. Misschien wel alle tijd. Dag in, dag uit. Dan kan de goede bui zomaar omslaan in een onbehaaglijk fipronil-gevoel. Dit is geen onderhoud, hier wordt gejaagd op ongedierte. Er wemelt van alles onder die veren. De duif sterft van de jeuk.

Dit is geen onderhoud, hier wordt gejaagd op ongedierte. De duif sterft van de jeuk

Het was september toen dit gevoel zich ontwikkelde. Hier en daar werd nog gebroed, in zee werd nog gezwommen. Inmiddels is het januari en wel tienmaal zo koud. De bladeren vielen en de trekvogels trokken weg. Ook de zon verdween. Maar nog steeds zit daar op die tak die vriendelijke houtduif. Met een das om en de kraag hoog opgeslagen doorstaat hij de vlagen hagel en natte sneeuw. Niet gelaten maar vastberaden. En, opmerkelijk, zonder zich nog langer om de veren te bekommeren. Het eindeloze poetsen en plukken is voorbij. Heel af en toe gaat de snavel nog tussen wat borstdons of wordt een veer recht gelegd. Maar meer dan 5 procent van de tijd wordt er niet aan besteed.

Wat is hier gebeurd? Kan zo’n houtduif ook weer helemaal van zijn ‘ectoparasieten’ afkomen? Kan hij de gekmakende luizen, vlooien, wantsen, mijten en teken definitief verslaan? Dat is de AW-vraag van de week. De literatuur heeft er geen sluitend antwoord op, maar brengt de geïnteresseerde toch een eind verder.

Het toiletmaken van vogels valt onder het begrip ‘grooming’ maar wordt meestal ‘preening’ genoemd. Het staat niet uitsluitend in dienst van de jacht op ongedierte maar heeft ook een functie in het verspreiden van de wasachtige substantie uit de stuitklier aan het begin van de vogelstaart. Vooral voor watervogels is het van levensbelang de veren vet te houden.

‘Preening’ is ook het meest effectieve wapen dat vogels kunnen inzetten tegen ectoparasieten. Dat is experimenteel vastgesteld door biologen van de University of Utah onder leiding van Dale Clayton. Duiven die een klein bitje in de snavel kregen geschoven konden hun verenluis niet langer de baas blijven. Door het hulpstuk, dat de bek een beetje open houdt, was de snavel niet langer optimaal bruikbaar. Met dramatische gevolgen.

Clayton en medewerkers noemen hun experiment in een overzichtsartikel dat in 2010 verscheen in The Open Ornithology Journal. Ook wederzijdse veerverzorging (‘allopreening’), meestal beperkt tot kop en nek van de partner, kan een gunstig effect hebben bij de jacht op ectoparasieten. Ook dat heeft de groep experimenteel aangetoond, voor veerluis op stadsduiven.

Het overzichtsartikel behandelt álle middelen die vogels tegen parasieten kunnen gebruiken, zoals krabben, zonnen, het nemen van een stofbad en het inzetten van het mierenzuur van kapotgeknepen mieren. Ook droog weer kan een uitkomst zijn: een relatieve luchtvochtigheid van 25 procent of minder is fataal voor de meeste ectoparasieten. Hoe vochtiger de lucht hoe beter luizen zich handhaven. Daarom is het niet aannemelijk dat het ‘badderen’, waar houtduiven zo verzot op zijn, een rol speelt in parasietenbestrijding.

Wat Clayton c.s. duidelijk maken is dat de meeste vogels hun ectoparasieten redelijk onder de duim kunnen houden zolang ze niet hutjemutje op elkaar moeten zitten en zolang hun snavels en klauwen in goede conditie zijn. En zolang ze gezond zijn, want veerverzorging kost veel energie. In de praktijk blijken vogels uit één populatie zeer uiteenlopend met parasieten besmet te zijn, zegt Clayton.

Dat laatste riep opeens de vraag op of wel vaststond dat het bij de januariduif en de septemberduif van hierboven wel om één en dezelfde duif ging. Viel uit te sluiten dat er in de tussenliggende maanden een heel andere duif op dezelfde esdoorntak was gaan zitten? Eentje die nooit luizen en vlooien had gehad?

Tja, wie zal het zeggen. Het is nog onlangs wetenschappelijk aangetoond dat gewone mensen (‘casual observers’) houtduiven niet uit elkaar kunnen houden. Zelfs getrainde biologen zien op afstand niet het verschil tussen een mannetjesduif of een vrouwtjesduif, tenzij de dieren aan het paren slaan. Daar komt nog bij, niet iedereen weet het, dat de Nederlandse populatie houtduiven in oktober voor een flink deel wordt vervangen door houtduiven uit Scandinavië. Misschien is de januariduif een Zweedse duif en zit de septemberduif met al zijn vlooien in Frankrijk?

Kijk hier hoe een papegaai jeuk heeft door zijn nieuwe veerpennen

Er kan nog iets anders aan de hand zijn. In september was de houtduif nog in de rui, in januari niet meer. Het ruien (‘molting’) en vooral het doorkomen van nieuwe veren (de ‘pennen’) bezorgt vogels een onnoemelijke jeuk, daaraan kan niet getwijfeld worden. YouTube toont filmpjes van parkieten en papegaaien die er gek van worden totdat hun baasje de nieuwe pennen voorzichtig vrij peutert. Kortom: waarom de januariduif niet meer aan zijn veren werkt, dat weten we niet.

    • Karel Knip