Boeddhistisch dorpje blijft beducht voor het ‘gevaar’ van de Rohingya

Birma

Dinsdag moet de terugkeer van naar Bangladesh gevluchte Rohingya beginnen. Ze zijn niet welkom in Birma. „Dit zijn onze burgers niet.”

Een monnik werkt op het land nabij Sin Ma Kaw in Birma. Het dorp werd ‘moslimvrij’ verklaard. Lauren DeCicca/Getty Images

‘Dit is een vreedzaam dorp met uitsluitend boeddhisten”, staat op een soort reclamebord bij een slaperig Birmees dorpje tussen de bonenvelden. Aan weerszijden van een zandweg staan simpele huizen, de meeste gemaakt van hout en bladeren. Verderop bij een klooster staat precies zo’n bord.

De woorden zijn gericht tegen één specifieke groep, blijkt als de monnik van het dorp uitleg geeft. „De wereld staat bloot aan een islamitisch gevaar. Ons dorp is vrij van moslims en dat willen we graag zo houden.” U Thonedara staat aan het hoofd van het kleine klooster. Er leven drie monniken en vier novices.

Bord met opschrift: 'Dit is een vreedzaam dorp met uitsluitend boeddhisten'. Foto Annemarie Kas

U Thonedara kent allerlei wilde verhalen over moslims en hun „strategieën”. Hij heeft gehoord dat ze grond opkopen en daarmee langzaam het land willen overnemen. Dat ze trouwen met lokale boeddhistische vrouwen en zo de samenleving van binnenuit willen veranderen. Dat ze zich soms voordoen als nepmonniken en zo het boeddhistische volk proberen te veranderen. „Wij doen wat we kunnen om dat hier niet te laten gebeuren.”

In Birma (officieel heet het land Myanmar) leven dit soort anti-islamitische sentimenten in de hele maatschappij. De grote meerderheid van de Birmezen is boeddhistisch en heeft een afkeer van moslims. In het bijzonder van de Rohingya-moslims: het volk dat met honderdduizenden de grens met Bangladesh over gevlucht is omdat hun huizen werden platgebrand, hun mannen vermoord en hun vrouwen verkracht. Volgende week zou hun terugkeer naar Birma moeten beginnen. Bangladesh en Birma bereikten hierover in november een akkoord en maakten er deze week nadere afspraken over.

Monnik U Thonedara zit er niet op te wachten, al neemt hij het woord Rohingya niet in de mond. Dat zou een erkenning van hun bestaan betekenen. Hij zegt ‘Bengali’, omdat de Rohingya volgens hem illegale migranten uit Bangladesh zijn en officieel niet in Birma thuishoren. Dat beweert ook de overheid, al wonen de meeste Rohingya al generaties lang in de Birmese deelstaat Rakhine.

„De Bengali zijn onze burgers niet”, zegt U Thonedara. „Zij wonen hier als onze gasten, maar intussen mishandelen ze de huiseigenaren.” Hij doelt op Rohingya-rebellen die vorig jaar uit protest tegen hun onderdrukking politieposten aanvielen. Er vielen zo’n elf doden aan de kant van de boeddhisten. „Dat raakt ons ook.” De relatief kleine aanvallen waren aanleiding voor de militairen om honderden dorpen in Rakhine compleet van de kaart te vegen.

Het verdrietige is, zegt analist Khin Zaw Win, dat moslims en specifiek de Rohingya misbruikt worden voor politieke doeleinden. Het leger en de partij van politiek leider Aung San Suu Kyi proberen zoveel mogelijk steun van het volk te krijgen. In de Rohingya vonden ze de ‘vijand’ die ze denken nodig te hebben in hun populistische, nationalistische retoriek. „De Rohingya zijn, helaas, gebruiksartikelen. Ze worden weggezet als wat ze in Duitsland Untermenschen zouden noemen.”

Verrader

Khin Zaw Win is een van de weinigen in Birma die het woord ‘Rohingya’ hardop zegt. „Ik voel me enorm eenzaam.”

Hij verwijt Suu Kyi dat ze, sinds ze de verkiezingen in 2015 met grote meerderheid won, amper iets heeft gedaan om de moslimhaat tegen te gaan. En in een land met zoveel minderheden als Birma – het land telt 135 erkende etnische groepen – is het volgens hem onzin om te denken dat het racisme ophoudt bij de Rohingya. „Niet voor niets houden de andere groepen zich stil. Die denken: straks zijn wij aan de beurt.”

In het dorp Pha Yar Gyi Kone houden ze zich voorlopig nog bezig met het buiten houden van moslims. Monnik U Thonedara heeft gezelschap gekregen van een groep dorpelingen. Kinderen kijken met grote ogen toe en een paar mannen geven antwoord op de vragen waar de monnik geen zin in heeft. Hun naam willen ze niet geven, ze noemen zichzelf „gewone dorpsbewoners die bezorgd zijn over hun voortbestaan”. Ze zijn bang voor sancties als ze iets verkeerds zeggen.

Wel vertellen ze graag wat ze doen om de islam tegen te houden. Ze halen een groot spandoek tevoorschijn. Het hing bij de ingang van het dorp, maar is kapot gegaan. De regels die erop staan:

- Het is ten strengste verboden voor moslims om hier te overnachten of zich hier te vestigen.

- Moslims mogen hier geen vastgoed huren, kopen of verkopen.

- Met een moslim trouwen is ten strengste verboden. Mannen en vrouwen moeten zich aan deze regel houden.

- Wie de regels van de gemeenschap niet volgt, wordt als verrader gezien en moet de straf van de dorpsbewoners accepteren.

Spandoek met regels Foto Annemarie Kas

Al hangt het spandoek er niet meer, de regels gelden nog steeds, verzekeren de bewoners. Ze hebben gelukkig nog nooit iemand hoeven straffen – er komen bijna nooit moslims in het dorp.

Waarom zien ze de islam dan toch als zo’n groot gevaar? Kijk naar wat op televisie langskomt, zegt U Thonedara. „Je ziet alleen maar terreur en slechte mensen in islamitische landen. Dat kan ons land ook overkomen.”

Het probleem zit vooral in religieuze en culturele verschillen, zegt een oudere man in geel overhemd en geblokte longyi, een sarong die bijna alle mannen in Birma dragen. „Het boeddhisme schrijft voor dat je geen levende wezens doodt. Moslims doen dat wel, die slachten koeien.”

Slachtvergunning

In het dorp hebben ze daar iets slims op gevonden, vertelt hij. Ze hebben geld ingezameld en daarmee de slachtvergunning voor de hele regio afgekocht op de veiling. Goedkoop was het niet. Ze moesten 20 miljoen kyat betalen, dat is ongeveer 12.000 euro. „Onze vergunning geldt voor de omliggende 68 dorpen. Dus als ze daar dieren slachten, is het illegaal.”

Hun oplossing lijkt een nogal plaatselijk effect te hebben. Een paar kilometer verderop zegt de uitbaatster van een wegrestaurant dat bij haar af en toe een islamitische dame langskomt om rundvlees te verkopen. Zij vertelde haar dat ze Pha Yar Gyi Kone altijd overslaat. Ze is bang, ze kijkt wel uit.

De boeddhisten in het dorp zijn ontzettend gezagsgetrouw. Van hen geen kwaad woord over Aung San Suu Kyi. „Zij zal doen wat goed is voor het land.”

En hoe zit het met het leger? Als de boeddhisten samenleven voorstaan, dan moeten de militairen in hun ogen toch iets verkeerd gedaan hebben, gezien de duizenden doden in Rakhine?

Dit zien zij anders. Ja, ze hebben gehoord dat het leger is beschuldigd van etnische zuivering, zegt een dorpsgenoot. „Ze hebben misschien moeten reageren op de rebellen. Maar ze hebben het recht om ons land te verdedigen.” Dat vindt de oudere man ook. Stel je voor, zegt hij, dat wij hier als groepje zitten en er komt een boos schepsel om ons allemaal te vermoorden. „Laten we dat schepsel zijn gang gaan, of verdedigen we ons? Dat laatste.”

Ze denken dat de internationale media het aantal doden in Rakhine overdrijven. En dat hulporganisaties standaard de kant van de moslims kiezen. Ze beginnen over een voorbeeld dat internationaal aandacht kreeg: een lading biscuits van het World Food Programme (WFP) van de Verenigde Naties was aangetroffen in de kampen van Rohingya-rebellen. „Als je het over mensenrechten hebt, dan hebben toch ook mensen van ándere etnische groepen recht op koekjes, noedels of rijst?”

Lees ook: Zeventien Rohingya-vrouwen vertellen over hun verkrachting door militairen in Birma

In werkelijkheid moest het WFP de noodhulp op het dieptepunt van de crisis vorig jaar tijdelijk stopzetten, omdat het te onveilig was in Rakhine en het werken de hulpverleners onmogelijk werd gemaakt. Zestien hulporganisaties zagen zich genoodzaakt een gezamenlijke verklaring naar buiten te brengen, waarin stond dat ze geen partij kiezen of onderscheid maken naar religie of etniciteit.

Er zit ook een duister element aan de moslimhaat in Birma, zegt analist Khin Zaw Win. Radicale monniken lijken de laatste tijd iets minder actief, de belangrijke nationalistische club van ‘relmonnik’ Wirathu is vorig jaar verboden. Maar dat de monniken stoken, via Facebook en live bij manifestaties, staat vast.

Er bestaan „banden tussen Wirathu’s beweging en het leger”, zegt Win. De volgende verkiezingen zijn pas in 2020 en legerbaas Min Aung Hlaing schijnt dan graag president te willen worden. Hij zal de monniken heus weten te vinden om zijn nationalistische verhaal er bij de Birmezen in te krijgen.

Voorlopig is de vraag hoe de terugkeer van de Rohingya naar Rakhine gaat verlopen. Zou het een oplossing zijn als Birma de Rohingya gewoon erkent als burgers? Daar kan geen sprake van zijn, zegt één van de inwoners van Pha Yar Gyi Kone. Ze horen hier nu eenmaal niet thuis. „Als wij naar Singapore vertrekken om daar te werken, mogen we toch ook niet ineens Singaporees worden.”

    • Annemarie Kas