Recensie

Best aardig die Rexton, zegt de visboer

vindt dat de SsangYong Rexton Sapphire uitstekend rijdt; wat bonkerig op verkeersdrempels, maar alleszins beschaafd.

De SsangYong Rexton bij Moerman Jansen in Alblasserdam. Foto Peter de Krom

SsangYong is de kleine Koreaanse fabrikant van vooral SUV’s en MPV’s, in het thuisland ook van in Europa kansloze personenauto’s. De wereldwijde doorbraak van de landgenoten Kia en Hyundai was het merk niet beschoren. Het hield er dan ook merkwaardige stijlopvattingen op na, die getuigden van een fatale onbekendheid met westerse smaakcodes.

Ontwerpen als de Rodius, met zijn dakkapel-achtige opzetstuk achterop breed gezien als de onsmakelijkste MPV aller tijden, waren op het parodistische af onesthetisch. Voor iemand discriminatie roept; de designer was een Engelsman. Ik belde hem voor uitleg en snap best dat hij geen zin had in een interview. In de pub verkoopt hij de SsangYong-klus als zijn beste sick joke ooit.

Toch deed SsangYong hier op de markt voor 4×4-bedrijfsauto’s nog aardig zaken. De visboeren- en metselaarsgemeenschap kon leven met die onverzettelijke ruwe bolsters op grijs kenteken. De motoren en versnellingsbakken die SsangYong aan een alliantie met Mercedes overhield, garandeerden betrouwbaarheid. Helaas: Japanners, Duitsers en Amerikanen leverden, ook bpm-vrij, couranter ogende SUV’s en pickups voor faire prijzen. Het budgetargument verloor momentum.

Wat zich vervolgens achter de schermen afspeelt, laat zich raden.

De SsangYong-bestuurders zien de verkoopcijfers kelderen. Ze sturen een verkenner naar Europa om de toestand op te nemen. Die keert terug met verontrustende berichten. Het is de marktkooplui en timmerlieden in de bol geschoten. Ze nemen geen genoegen meer met 3.500 kilo trekgewicht en een historische Mercedes-diesel. Ze verweken in rap tempo. Ze willen leer, elektrische stoelen, navigatie. Hebben de Toyota LandCruiser, de VW Amarok, de Nissan Navara en echte Mercedessen ook. Verder willen ze design.

Design?

Westers gezedepreek

Het wordt de CEO te veel. SsangYong de les lezen over stijl? Dat met de Actyon het genre van de SUV-coupé bedacht, van BMW tot Mercedes geplagieerd door alle topmerken? Dat met de Korando de enige karakteristieke terreinwagen sinds de oer-Jeep neerzette, terwijl Jeep en Land Rover hun energie aan laffe witteboorden-SUV’s verspilden? Dat zich arrogant westers gezedepreek over uitdagend design moest laten welgevallen, terwijl het met de Rodius de enige MPV bouwde die écht provoceerde?

„Westerlingen vinden het de lelijkste auto ooit gebouwd”, fluistert de informant, nu zeker van zijn honderd stokslagen. Slecht nieuws is in een yes we can-cultuur een doodzonde, en net als bij ons zijn boodschappers daar altijd kop van jut.

Dan gaat de telefoon. SsangYong wordt overgenomen door de Indiase autofabrikant Mahindra. Die maakt 800 miljoen vrij voor productvernieuwing. Ze kunnen hun probleem aanpakken. Met zakken vol geld gaan de bestuurders van SsangYong de boer op. Ze consulteren een leerlooier, kopen actieve veiligheidssystemen in; automatische noodrem, verkeersbordherkenning, dodehoeksensor, rijstrookdetectie, hoppa. En ze contracteren een ontwerper die geen bokken schiet. Hij trekt wilde, ietwat Koreaanse bogen over de wielkasten, maar houdt zich grosso modo aan de stijlregels voor stoere hoogbouw. De uit nood gerehabiliteerde verkenner, de enige die in het echt een Nederlandse visboer heeft gesproken, inspecteert het resultaat met zijn tot moes geslagen tors dik in het gips. Hij spreekt uit het hart, wat kan hem in zijn gipspantser nog overkomen? Tot zijn schrik ziet hij muisgrijs leer. „Niet goed”, kreunt hij. „Moet bruin, diarreebruin. Is cool. En er moet een werkje in, een ruitmotiefje à la Bentley. Vinden ze chic. En sfeerverlichting. En led-kopla…, led…” Dan valt hij dood neer.

Uit respect, hij was een goeie jongen, laten de technici zijn laatste wensen in vervulling gaan. Een jaar later haal ik bij de importeur in Antwerpen de nieuwe SsangYong Rexton op en rijd naar Nederland. Ik heb een diesel met 181 pk, zeventraps Mercedes-automaat en ‘deeltijdse vierwielaandrijving’, Vlaams voor uitschakelbaar. Op de stoelen ruitvormig gestikt bruin leer dat als chic vleesbehang ook op het dashboard is geplakt. Hij rijdt uitstekend; iets te licht in het stuur, wat bonkerig op verkeersdrempels, maar alleszins beschaafd, ook van geluidsniveau. Alleen de stereo is rampzalig. Anderzijds: vind mij de metselaar die Mozart opzet in een Rexton. Goed werkpaard.

Wat te doen? Ik ga makreel halen, offroad van dorp naar dorp. Kranig slaat het pakhuis zich door plassen en kuilen.

Kost dat?, vraagt mijn visboer.

Met alles erop en eraan? Op geel een ton, op grijs 42, kaal 32 zonder 4×4. De bpm tikt aan bij diesels met een G-milieulabel, wist SsangYong veel. Schonere motoren in aantocht, hoor ik. Best aardig, zegt de visboer. Maar zijn Nissan Patrol houdt nog wel even. De verkenner, die vanuit de hemel toekijkt, zou voor straf zijn viskar naar Korea willen deporteren. Ondankbare honden!