Zij hebben veel woorden voor geur, omdat ze jagen

Taalkunde Een Maleisisch volk heeft een enorme schat aan woorden voor geuren. Dit komt doordat ze leven van jagen en verzamelen.

Vertegenwoordigers van de inheemse bevolkingsgroepen Temiar (links) en Jahai (midden en rechts) bij de voorbereiding van de Maleise versie van de Internationale Dag van de Inheemse Volken in de Wereld, die elk jaar op 9 augustus wordt gevierd. De Jahai hebben een enorme woordenschat voor geuren. Foto EPA

Reuk staat bekend als het ‘sprakeloze zintuig’. Het reukvermogen zou in de loop van de evolutie zijn verdrongen door het gezichtsvermogen en de mens zou daarom veel minder geuren kunnen benoemen dan kleuren.

Dit blijkt niet te kloppen. Enkele jaren geleden stelden twee onderzoekers vast dat de Jahai, jagers en verzamelaars in de Maleisische deelstaat Perak, een grote woordenschat hebben voor geuren, die ze ook trefzeker kunnen benoemen. De vraag bleef staan of dit ligt aan hun natuurlijke omgeving – het regenwoud – hun taal of hun levenswijze: jagen en verzamelen. Nieuw onderzoek, donderdag gepubliceerd in het tijdschrift Current Biology, wijst op het laatste.

Een van de onderzoekers die het geurenvocabulaire van de Jahai in kaart bracht (Cognition, 2/2014), is de taalpsycholoog Asifa Majid, hoogleraar Taal, communicatie en culturele cognitie aan de Radboud Universiteit Nijmegen. Samen met haar Zweedse collega Nicole Kruspe (universiteit van Lund) ontwierp zij een onderzoeksopzet om te verklaren waarom jagers en verzamelaars zoveel woorden hebben voor geuren.

Ze kozen voor hun onderzoek een andere groep Maleisische jagers- en verzamelaars, de Semaq Beri, wier taal net als die van de Jahai behoort tot de Asli-taalfamilie. Die naam is afgeleid van de Maleise benaming voor de jagers-verzamelaars van het schiereiland: Orang Asli (‘oorspronkelijke mensen’). Daarnaast keken ze naar de naburige Semelai, een volkje dat vooral leeft van de tuinbouw en incidenteel het bos in gaat om bosproducten te verzamelen voor de markt.

Terpentijn, knoflook, anijs

De Semaq Beri en Semelai leven niet alleen in dezelfde natuurlijke omgeving, zij spreken ook verwante talen. Majid en Kruspe wilden weten of beide groepen ook even goed waren in het benoemen van geuren. Hun hypothese luidde dat dit vermogen samenhangt met culturele praktijken ofwel bestaanswijze. Op grond daarvan voorspelden zij dat de Semaq Beri, net als hun medejagers en verzamelaars, de Jahai, geuren net zo makkelijk zouden benoemen als kleuren en dat de Semelai meer moeite zouden hebben met geuren. En dat was precies de uitkomst van het onderzoek.

Majid en Kruspe gingen als volgt te werk. Zij testten bij 20 Semaq Beri en 21 Semelai het vermogen om geuren en kleuren bij naam te noemen. Daarvoor gebruikten zij zestien verschillende geuren: sinaasappel, leer, kaneel, pepermunt, banaan, citroen, zoethout, terpentijn, knoflook, koffie, appel, kruidnagel, ananas, roos, anijs en vis. Voor de kleurentest kregen de deelnemers 80 kleurkaarten te zien met 20 tinten in vier gradaties helderheid. Kruspe testte de deelnemers door in hun eigen taal te vragen: ‘waar ruikt dit naar?’ of ‘welke kleur is dit?’

De uitkomst was een ondubbelzinnige bevestiging van de onderzoekshypothese. De Semaq Beri – jagers en verzamelaars – scoorden hetzelfde als de Jahai in het oudere onderzoek: zij konden geuren en kleuren benoemen met hetzelfde gemak. De Semelai – tuinbouwers – hadden juist evenveel moeite als Engelstaligen met het benoemen van geuren.

Culturele variatie

De onderzoekers schrijven dat het afnemende belang van geuren in verhouding tot andere zintuiglijke waarnemingen een recent gevolg is van culturele aanpassing, ofwel een verandering van levensstijl. Zij stellen vast dat het reukvermogen van jagers-verzamelaars superieur is in vergelijking met dat van volken met een sedentaire leefwijze, bij wie dat vermogen is afgenomen.

Majid en Kruspe concluderen dat het vermogen van de twee onderzochte groepen om geuren te onderscheiden en benoemen niet uitsluitend verschilt als gevolg van een uiteenlopende ‘neurologische architectuur’, maar dat culturele variatie wel eens een grotere rol zou kunnen spelen.

Resten twee belangrijke vragen: zijn jagers en verzamelaars in andere delen van de wereld even goed in het benoemen van geuren als die van Maleisië, en: hoe beïnvloeden culturele verschillen en eventuele genetische verschillen wat betreft reukvermogen elkaar? Wordt vervolgd.

    • Dirk Vlasblom