‘Weggestopt is het slavernijverleden al jaren niet meer’

Roelof van Gelder, historicus

In het slavernijdebat hoor je vaak dat er te weinig kennis wordt gedeeld over wreedheden van historische figuren als De Ruyter en Coen. Historicus Roelof van Gelder ergert zich daaraan.

‘Kijk, wat is dat in het water?” Met een blik op de Amstel knijpt cultuurhistoricus Roelof van Gelder met zijn ogen. In de verte dobbert een rieten stoel, elders weggerukt door de storm.

De discussie over het Nederlandse slavernijverleden probeert Van Gelder te overzien zoals hij vanuit zijn appartement het water overziet. Op afstand. Want het debat over het betwistbare heldendom van oud-zeevaarders als Witte de With, Piet Hein en Michiel de Ruyter, is een mijnenveld. Je moet je woorden wegen. En ook nu weer, met de naamswijziging die de JP Coenschool in Amsterdam deze week aankondigde, vanwege de wreedheden door VOC-gouverneur-generaal Jan Pieterszoon Coen, ziet hij de opgelaaide discussie snel ontsporen. „Er wordt van alles geroepen dat niet altijd klopt.”

Lees ook: JP Coenschool wijzigt naam om ‘slachtingen’ van zeeheld Coen

Die discussie gaat over het naamgebruik van controversiële historische figuren. Op straatbordjes, standbeelden, schoolgevels. Moet dat wel, gezien hun aandeel in de slavernij? De discussie woedt al langer en wat Van Gelder opvalt: de argumenten van voor- en tegenstanders sluiten niet op elkaar aan. Voorstanders van ‘afschaffen’ vinden dat je historische figuren moet beoordelen met de morele normen van nu. Van sommigen waren de voorouders slachtoffer van de slavernij, zij willen erkenning. De tegenstanders, vaak historici, vinden dat je de ‘helden’ moet beoordelen naar de morele normen van tóén. En ja, de zeventiende eeuw was nu eenmaal een hardvochtige tijd.

Maar zelfs dán, hoe weet je nou hoe mensen in die tijd dachten? Wat ging er om in de hoofden van de blanke Europeanen die in West- of Oost-Indië met eigen ogen de wreedheden van de slavenhandel zagen? En dat is waarop Van Gelder een antwoord probeert te vinden. Hij is bezig met de biografie van John Gabriel Stedman, een Nederlandse militair die in Suriname weggelopen slaven moest opsporen. Daarover maakte Stedman een invloedrijk boek.

Lees ook het interview met de Franse essayist Karfa Diallo over het slavernijverleden: ‘De geschiedenis uitvlakken helpt niemand’

Van Gelder pakt er de Canon van Nederland bij en recente kranten en tijdschriften. „Kijk, allemaal plaatjes van slaven. Afgebeeld aan de galg, aan een ketting. Het zijn iconische beelden, allen getekend door Stedman. Hij tekende ook bloemen, het dagelijks leven. Maar voor het illustreren van de huidige discussie over slavernij is hij dé bron.”

Die bron, ontdekte Van Gelder aan de hand van manuscripten, was in zíjn tijd genuanceerd over de slavernij. Hij was niet tegen, want hij zag slavernij als ‘gegeven’. Bovendien zag hij het economische voordeel ervan. „Maar de wreedheden die hij zag, keurde hij af.” En later in zijn leven werd Stedman stelliger, maar hij zei dat niet hardop. Dat was not done. In zijn milieu waren er maar weinigen die de slavernij in het openbaar bekritiseerden. „En juist dat maakt het beoordelen van de toen geldende moraal zo moeilijk.”

Neem Jan Pieterszoon Coen, tot zijn dood in 1629 gouverneur-generaal van de Vereenigde Oostindische Compagnie (VOC). Hij werd gezien als buitengewoon intelligent en zijn opdracht was de kruidnagel- en nootmuskaatmarkt veroveren. Die specerijen waren veel waard, want op slechts een klein deel in de wereld te vinden – in tegenstelling tot peper en katoen. De internationale concurrentie was hevig en Coen moest en zou het monopolie veiligstellen. Dat deed hij onder meer door de executie van duizenden Bandanezen, die de nootmuskaat liever aan de hoogste bieder verkochten. „Coen vond dat hij rationeel binnen zijn opdracht had gehandeld.” Hoe zijn VOC-bazen in Holland daartegenaan keken? „Ja, hoofdschuddend. Maar wel pas bijna een jaar later, toen het bericht hen bereiken kon.”

De status van Coen kent een andere ontwikkeling dan die van De With, Hein of De Ruyter. Dat waren al tijdens hun leven oorlogshelden die in de ogen van de Nederlanders het vaderland wisten te beschermen tegen de Spanjaarden, Portugezen, Engelsen en Fransen – slavernij was hun neveninkomst. Ze kregen de praalgraven die er nog altijd zijn. Coen moest op zijn standbeeld wachten tot in de negentiende eeuw, „toen na de Franse bezetting het nieuwe Koninkrijk der Nederlanden behoefte had aan een eigen nationale identiteit en die vond in de ‘grootsheid’ van de VOC.”

Lees ook: De ondergang van de VOC – wie weet hoe dat ging?

De kennis over de wreedheden is sindsdien weggestopt, hoort Van Gelder geregeld terug in de discussie over slavernij. Hij ergert zich eraan, want al jaren zijn er over de slavernij studies, artikelen, lespakketten, een documentaire, een tentoonstelling. „Weggestopt is het onderwerp al jaren niet meer.”

Lees ook: Is het lesmateriaal over de slavernij te oppervlakkig?

Wel is het zo dat er na de onafhankelijkheid van Indonesië bij Nederlandse onderzoekers schroom was om de VOC-geschiedenis te onderzoeken. En daarna bleef het onderzoek lange tijd kwantitatief van aard: de VOC werd onderzocht in termen van economisch succes – het aantal slaven werd geteld. Pas de laatste tien jaar is er, vooral aan de Universiteit Leiden, oog voor de sociale omstandigheden.

Die kennistoename verklaart volgens Van Gelder de huidige controverse rond de vaderlandse helden, samen met het feit dat Nederland – in tegenstelling tot de Verenigde Staten – pas de laatste decennia veel inwoners telt wiens voorouders slachtoffer waren van de slavenhandel. Maar laten we de discussie wel voeren op basis van de feiten, vindt hij. Want ook ‘zijn’ John Gabriel Stedman is door Amerikaanse feministen inmiddels afgeserveerd omdat hij een slavin zou hebben misbruikt. „Maar Stedman heeft echt van haar gehouden, zijn hele leven. Dat weet ik heel zeker.”

Drie standpunten in het debat over de omgang met het nederlandse slavernijverleden

Standpunt 1: weghalen

Karwan Fatah-Black.

Koloniaal historicus Karwan Fatah-Black (Universiteit Leiden) vindt dat namen en standbeelden van omstreden figuren uit de koloniale tijd mogen worden weggehaald. Hij gelooft niet dat de vaderlandse geschiedenis daarmee vergeten wordt door komende generaties. „Geschiedenis leer je van een bevlogen docent, niet van een standbeeld.” Meestal is een straatnaam of standbeeld van een koloniale figuur bedoeld als eerbetoon, aldus Fatah-Black, en dat is problematisch. De Coentunnel zou van hem dan ook van naam moeten veranderen. „Want wat heeft die tunnel nou met Jan Pieterszoon Coen te maken?” Plekken zoals het Mauritshuis die hun naam ontlenen aan een historische bewoner hoeven die van Fatah-Black niet te veranderen.

Standpunt 2: toevoegen

Aspha Bijnaar. Foto Afronaut

Socioloog Aspha Bijnaar (zelfstandig onderzoeker) stelt voor om de publieke ruimte diverser te maken. Koloniale standbeelden of naambordjes hoeven niet per se weg, maar moeten worden aangevuld met namen en beeltenissen van mensen die belangrijk waren voor het verzet tegen slavernij in de koloniën. „De symbolen in de openbare ruimte weerspiegelen nu maar één kant van het verhaal. En die kant stamt uit de tijd dat Nederland nog relatief homogeen wit was. Nu herkent niet iedereen zich meer in die symbolen en mede daardoor hebben sommige mensen het gevoel geen plek te hebben in de samenleving.” Bijnaar pleit daarnaast ook voor het toevoegen van tekstbordjes bij standbeelden van koloniale figuren met omschrijvingen van hun wandaden.

Standpunt 3: laten staan

Piet Emmer.

Volgens Piet Emmer, emeritus hoogleraar geschiedenis (Universiteit Leiden), werkt het averechts om koloniale standbeelden en straatnamen te verwijderen. „Je haalt de mogelijkheid tot discussie weg als je dingen waarover je struikelt uit de publieke ruimte wegneemt.” Emmer waarschuwt voor de waan van de dag. Want, zegt hij, wereldbeelden veranderen nu eenmaal. „Stel, je verandert alle koloniale straatnamen, dan kan het zo maar zijn dat de nieuwe namen over 50 jaar weer voor problemen zorgen. Neem Máxima: We weten wat haar vader gedaan heeft en dat rekenen we haar nu niet aan, maar dat zou over 50 jaar zo maar anders kunnen zijn.” Een betere oplossing volgens Emmer is goed onderwijs over de daden van koloniale figuren, zodat kinderen de standbeelden in de juiste context kunnen plaatsen.

Correctie (19 januari 2018): eerder stond vermeld dat Jan Pieterszoon Coen in 1617 is overleden. Dat moet 1629 zijn.

    • Freek Schravesande
    • Kasper van Laarhoven