Column

Vertraagde tijd in de apotheek

Het verkeer raast, auto’s toeteren, maar hier tussen de schappen met medicijnen heerst de rust van het land. Je hoeft helemaal de stad niet uit om van je stress af te komen, een stap over de drempel van de apotheek volstaat. Ik weet niet hoe die apothekers dat voor elkaar krijgen, maar hun assistentes zijn nooit vlot. Geweldig als je even diep wilt ademhalen. Ik heb mijn nummertje nog niet getrokken of ik zie de glazige blikken van de vrouwen in hun witte jassen en de zeker zo glazige blikken van de klanten om mij heen. De meesten zwijgen en staren; een klant is dermate bedwelmd door de, ja, de meditatieve sfeer dat ze als versteend met haar boodschappen in de hand voor zich uit blijft kijken. Een standbeeld van reflectie.

De apothekersassistentes brengen het telkens weer op minstens vijf minuten uit te trekken voor iets wat schijnbaar in tien seconden had gekund. Dit gaat een eeuw duren, besef ik, maar wat geeft dat? Een korte observatie van het negentiende-eeuwse tempo is genoeg om alles wat ik vanmiddag van plan was te gaan doen meteen te vergeten. Het belang van agenda’s, van afspraken verdampt bij de idee dat medicijnen met de hoogst denkbare precisie en na onwaarschijnlijk lang overleg tot stand dienen te komen. Vlugge medicijnen zijn verdacht. Tijd is nodig, veel tijd.

Van hun kant brengen de klanten om mij heen een geduld op dat elders hier op het Christiaan Huygensplein, in de gewone, platvloerse winkels zeg maar, ondenkbaar is. Bezorgd en bleek ondergaan zij de vertraagde tijd. Een apotheek dwingt dat af. Respect.

Als ik eindelijk aan de beurt ben, en een van de almaar door elkaar schuivende assistentes zich opmaakt voor een diepzinnige interactie met mij, overhandig ik mijn recept. De jonge vrouw, die buiten diensttijd mogelijk als een bliksemschicht tekeergaat, bestudeert de zeven woorden op het recept met een niet meer voor mogelijk gehouden concentratie. Als ik begin te vrezen dat ze tot morgen bedenktijd vraagt, knikt ze en loopt naar achteren. Daar neemt ze plaats voor een houten wand en trekt er na enig nadenken een lade uit. Haar ogen glijden langs alle medicijndoosjes en dat neemt veel tijd in beslag want de lade is ongekend lang. Ze duwt de lade helemaal terug de wand in, neemt er een andere uit. Dat proces herhaalt zich enkele malen en dan besluit ze toch maar naar de balie terug te keren. In haar blik iets van een triomf, alsof ze het mengsel na een eruptie van magistrale bereiding hoogstpersoonlijk in elkaar heeft gevijzeld.

Ze neemt het etiket op het schijnbaar alledaagse doosje zorgvuldig in zich op en even denk ik dat ze er bij nader inzien liever geen afstand van doet. Dan schuift ze het alsnog langzaam mijn kant op. „Ik zou de pil maar ’s avonds laat innemen”, zegt ze dan. „Niet overdag. Het kan een slome uitwerking hebben.”