Nieuwe woorden om in harmonie te komen

VSB Poëzieprijs In elk van de vijf dichtbundels die zijn genomineerd voor de VSB Poëzieprijs 2018 treedt de dichter op als bemiddelaar.

Op 25 januari wordt voor de laatste keer de VSB Poëzieprijs uitgereikt. De geldschieter, het VSB Fonds, past het beleid aan door nog meer op actief burgerschap in te zetten om zo ‘onderlinge verbindingen tussen (groepen) mensen tot stand te brengen of te herstellen’. Een prijs voor een bundel van een individu zou niet meer in deze koers passen.

Het is opvallend dat de vijf genomineerden voor de VSB Poëzieprijs 2018 juist laten zien op welke manieren een dichter als bemiddelaar kan optreden. Mieke van Zonnevelds Leger, Joost Baars’ Binnenplaats, Charlotte Van den Broecks Nachtroer, Tonnus Oosterhoffs Ja Nee en Marije Langelaars Vonkt: alle bundels bewegen op de knooppunten van verleden en heden en alle dichters zoeken naar aanknopingspunten in en met de werkelijkheid. Zoals de jury zegt: ‘De bemiddeling van de poëzie is nodig om het kijken naar de dingen te verversen. Daartoe moet de poëzie altijd weer worden vernieuwd, opgeschud, ontdaan van zijn [sic] regels en routines om zijn functie van „nieuwe ogen inzetten” te kunnen behouden.’

Het is inderdaad bij uitstek de taak van een dichter om alles in de wereld te bevragen en in perspectief te plaatsen. Dat moet echter niet alleen op inhoudelijk niveau gebeuren, maar ook op talig niveau. Een dichter moet dus op doordachte wijze nieuwe of andere woorden aanwenden om de boel op te frissen. Slagen deze bundels daarin?

Mieke van Zonneveld

In 2014 won Mieke van Zonneveld met het gedicht ‘Nee’ de Turing Gedichtenwedstrijd. Dat gedicht bevindt zich in het midden van haar debuut Leger, waarin we het ziektetraject van de dichter volgen: ‘Je voedt me / kankerfolders en ik proef de woorden niet.’ Deze zin, maar ook een banaal tafereel als douchen, benadrukt de ernst van de situatie: ‘Ik ben een meisje dat zich wast, een geïnfecteerd / moeras maar bovenal een hond die op zijn baasje wacht.’ Van Zonneveld verknoopt haar verhaal met andere verhalen, afkomstig uit bijbelteksten, haar eigen herinneringen, een brief van Héloïse aan Abelard, Sartre of andere literaire voorbeelden. Zo vlecht ze verleden en heden ineen, waarbij ze steeds religieuze verwijzingen maakt: ‘Mijn lichaam was een huis waarin ik ruimschoots paste. / Ik klampte me aan knuffels vast, bad Here, houd ook / deze nacht, viel knieën stuk maar beterde behendig.’

Dit debuut stelt om meerdere redenen teleur. Allereerst is er geen ontsnappen aan het ergerniswekkende rijm in Leger: ‘Ze raken maar niet sleets. Want mijn voeten / wisten beter en zij zoeken je nog steeds.’ Nog een voorbeeld:

Zijn handen zijn als in gebed gevouwen op mijn rug. ‘Ik leen je
tot de ochtend gloort, dan geef ik je weer terug’ en rusteloos
weemoedig klopt mijn hart aan bij het zijne: ‘dan bouwen we

een nachtkasteel van dubbele gordijnen!’ Er is geen verzet tegen
spelende goden die splijten en slopen met lege geboden.

Ook strooit Van Zonneveld met zware woorden om de scènes meer cachet te geven (‘rusteloos weemoedig klopt mijn hart aan bij het zijne’). Daarmee bereikt ze het tegenovergestelde: veel beelden bezwijken onder de omhaal van woorden. De clichématige beelden waarvan zij zich bedient, roepen dat lot zelf al over zich af: ‘Inmiddels draagt mijn lichaam de stempels / van jouw lippen’. Het breekt de bundel op dat de dichter al te vaak naar het voorspelbare grijpt.

Joost Baars

Binnenplaats van Joost Baars doet een aantal pogingen om grip te krijgen op de werkelijkheid. In het openingsgedicht ‘Kosmologie van het tapijt’ is de aanleiding daartoe het stokkende hart van zijn geliefde, een voorval dat zo nu en dan terugkeert in de bundel. Baars zoekt naar de momenten waarop aanwezigheid in afwezigheid overgaat, leven in dood, betrokkenheid in verinnerlijking, en vice versa, zoals in het gedicht ‘karl marx’:

de wereld is gegeven in het hart en ongedacht
vind je er plaats, dus als

zo’n bloedmachine stokt, je vriend de nacht
niet doorgekomen blijkt

je liefje op het vloerkleed op de ambulance wacht,
gebeurt dat zonder iets vooraf,

eerst als tragedie, dan als farce, [...]

Het debuut kent vier afdelingen, ingeklemd tussen twee losse gedichten. De dichter richt zich allereerst tot een schepper, afgaande op de structureel met hoofdletter geschreven jij-vorm: ‘het geritsel van bomen is / niet het geritsel van bomen. // het is Jouw stem.’ Vervolgens gaat hij te rade bij anderen als Karl Marx, Werner Herzog en Hannah Arendt. De derde afdeling bestaat uit Baars’ vertalingen van barok aandoende sonnetten van Gerard Manley Hopkins: ‘Ons hartgeknars is hoorbaar; meer pijn nog / Brengt de dood.’ Tot slot spreekt hij diverse soorten vogels aan: ‘die oehoe die ik hoor is die van jou oehoe / of word je nage-oehoet’.

Binnenplaats stelt teleur. De overpeinzingen, retorische vragen, aanroepingen en zoektocht naar het kenbare horen allemaal bij de twijfelende houding in en de mystieke lading van het werk, maar de uitwerking is schamel en eentonig, zoals in het gedicht waarin de dichter spreeuwen aanspreekt: ‘wat / vraagt jullie harde roep // de leegte om jullie lijven, // dat die zich altijd kenbaar maakt / zonder zich prijs te geven?’ De verwondering van de dichter gaat ten onder in truttige formuleringen als deze.

De vorm van de bundel is verre van spannend, maar juist ouderwets en plechtstatig: veelal korte regels, gesorteerd in één- of tweeregelige strofen, waarin in een monotoon ritme getwijfeld en gedacht wordt, zo nu en dan in combinatie met al te doorzichtig rijm ‘alsof ze wat ze in Je impliceren / proberen te bezweren’. Ook dit debuut weet niet te overtuigen.

Charlotte Van den Broeck

In Nachtroer, de tweede bundel van Charlotte Van den Broeck, treedt de dichter naar buiten. In de imponerende openingsafdeling is die beweging gedwongen, vanwege het stuklopen van een liefde. In deze reeks komt haar ragfijne gevoel voor ritme naar voren:

een goochelaar zaagt me in twee stukken en klapt me open naar het publiek, mijn lege romp onthuld na de nacht, na de slagwaarin ik generaal en sterveling werd, grond en organen verloorjou vergat door de trompetten van de optocht in mijbij het achteromkijken al zag ik hoe je je jas van de kapstok zou nemeneen klein finaal gebaar, de teleurgang tussen schouderbladen

In de gedichten uit deze cyclus rijgt de dichter herkenbare taal in rap tempo aaneen met als gevolg een voelbare verstikking. Het herkenbare wordt zo duister en verraderlijk, zoals het beeld van de goochelaar.

Het is echter jammer dat het dwingende en grillige in de rest van de bundel ontbreekt. Die gedichten krijgen veel meer ruimte om te ademen. Ter illustratie citeer ik het gedicht ‘Aquarium’ in zijn geheel:

Kijk
in het raam van de hotelkamer waarachter de stad hijgt, trilt ons gezicht
het is lillend blauw en bedrukt met vurige monden

niet ver genoeg gereis
dom wat voorbij is te redeneren tot een verschijnsel
het ligt tussen ons in, schreit om vorm en adem

en ik mag niet slapen
ik moet je bevrijden, nacht aan nacht
zwem ik dezelfde punten aan elkaar
niet eens tot sterrenbeeld

Deze gedichten verkrijgen hun vorm door het invoegen van rustpunten, zoals na ‘Kijk’ of wat ‘schreit om vorm en adem’. Er is hier geen verstikking, maar verstilling, ook omdat de gedichten witregels hebben en niet bestaan uit door komma’s aaneengerijgde beelden en regels.

Gevolg is echter dat deze gedichten minder urgent aanvoelen dan die eerste acht, waarin Van den Broeck beklemming en hoogspanning adequaat en krachtig weet te communiceren. Wat ze schrijft in ‘VII’, geldt voor de hele bundel: ‘iets in het vlees, uren na het schot nog, zal pulseren / tot ook dat op is, herinnering aan een hartslag’. Nachtroer vangt aan met woest en radeloos pulseren, maar lost uiteindelijk op in de vage herinnering.

Tonnus Oosterhoff

In zijn hele oeuvre en ook in zijn meest recente bundel, Ja Nee, kiest Oosterhoff niet tussen het een of het ander, maar laat hij beide mogelijkheden bestaan: ‘Je kunt het bijna aanraken, / toch is het er niet.’ Of: ‘Ons leven is brandhout, ons lichaam vuur, / of: lichaam brandhout, leven vuur. / Vuur en hout vormen een weefsel.’ Afstand en nabijheid gaan samen: ‘Iets kan alleen maar ver weg lijken als een deel / ervan dichtbij is. / Ver weg komt van twee kanten.’

Er ligt altijd een wending op de loer in het werk van Oosterhoff. Zo vestigt hij de aandacht op hoe taal en vertelling de werkelijkheid kneden. Het bekende komt vreemd voor, terwijl het onbekende warm en eigen is: ‘Staar heeft de kijker, de denker loopt over. / Ik meende dat het aan mijn gehoor lag, maar dit bleek heel goed: / de test wees uit dat ik mensen aan de andere kant van de wereld verstond.’

Aan het begin van Ja Nee is zijn beproefde stijl nog enigszins voorspelbaar, maar naarmate de bundel vordert, keren de spanning, souplesse en speelsheid terug. Dan overlaadt hij die gedichten in plaats van terugsnoeit:

Het werk in het dok is gevaarlijk in slaap vallen dodelijk.
De mannen nemen hun slaapverweer mee naar de hut.
Daar is de spleet in het dak alweer: ochtend. Terug naar de scheepswand.
Achter hun verduisteringsgordijnen schrikkenvan waarheidsdromen Chinese machthebbers wakker.
Sedert ik jou ken slaapt iedereen slechter.
Twee zien ’s nachts in de zwarte glansjes
in elkanders gezicht dat ze elkaar liggen aan te kijken.

Eerder in de bundel verkiest Oosterhoff de subtiliteit en discretie, maar hier is hij bruusker en weerbarstiger. Dat geeft hem een scherper oog voor detail en een grotere expressieve kracht: ‘Een gedempte hoorn waar hard op geblazen wordt geeft een brutale toon / Gaan begrijpen en woedend zijn samen? Nee. Ja. Nee / Denken geloven, doorgronden verdwijnen’. Dit soort momenten van uit de band springen maakt Oosterhoff lezen tot een schitterende ervaring.

Marije Langelaar

Veel van de poëzie uit de genomineerde bundels (maar ook in het algemeen) ontspringt aan alledaagse ervaringen die aanzetten tot bezinning. Aanvankelijk is Marije Langelaars Vonkt, haar eerste in acht jaar, ook een bundel waarin individuele ervaringen op de voorgrond staan. In de openingsafdeling ‘Een afgrond omsingelen’ wijst de dichter naar de weerstand die zij ervaart, zoals in ‘Vertrek’: ‘Het stuiptrekken, het missend grijpen / in onze ogen is geen ontmoeting / geen vallen / enkel een wond waarbinnen ons kind.’

Gaandeweg, maar ook al in deze eerste afdeling, legt de dichter zich erop toe om opnieuw in contact te komen met een vitale levenskracht. Ze drukt steeds meer het gas in om in harmonie te komen met alles om haar heen, óók met die alledaagse omgeving, de liefde en het verdriet.

Vandaar veel wrijving in haar gedichten waarin regels en beelden vonkend langs elkaar heen schuren, en waarin sprake is een ongelimiteerd stromen van beelden, details en emoties. Vonkt is een groot harmonieus geheel vol complexiteit, soms uitbundig lyrisch, dan weer bevreemdend onpersoonlijk: ‘We stappen uit onze lichamen om iets anders / te ontdekken trompetgeschetter. // Laten alle aders los / toffe vette kick’.

De mystieke en erotische lading in Vonkt is uitermate krachtig, zoals in ‘Het land’:

mijn bloed begon te stromen niet alleen in mijn aderen
maar ook in de stengels en de grond, alles klopte en
tegelijkertijd hoorde ik het kloppen van de dieren, traag
en ritmisch als de walvis verderop in de oceaan en
muizen en torrel snel en vinnig als de mitrailleurs.

Langelaar weet in Vonkt opnieuw in harmonie te komen met de wereld, via frictie, ontregeling en overgave. Zo ontdoet ze zich in het leven én haar poëzie van routines en gemeenplaatsen. Langelaar biedt nieuwe perspectieven, terwijl de andere genomineerde dichters daar niet of nauwelijks in slagen. Alles klopt bij Langelaar en in dat woord ligt haar virtuositeit besloten: enerzijds wijst het op een ritmisch bewegen, anderzijds betekent het dat alles in overeenstemming is met de omstandigheden.

Het afgelopen poëziejaar was een mager jaar, niet alleen vanwege de opvallend weinige inzendingen voor deze laatste VSB Poëzieprijs. Gelukkig verzaakte de jury niet de interessantste bundel te nomineren, namelijk Marije Langelaars Vonkt. Nu moet ze die nog bekronen, want alleen zo is het afschaffen van deze prijs verteerbaar, mocht er geen opvolger komen.