Opinie

    • Christiaan Weijts

Les in verbeelding

In de trein naar Arnhem las ik het zoveelste rampnieuws over de ontlezing. In tien jaar tijd blijkt het aantal jongeren dat weleens een boek leest zo’n beetje gehalveerd.

Dat trof, want ik was net op weg naar een school, waar ik ongeveer het volgende wilde vertellen. Zodra kinderen gaan praten, beginnen ze, overal ter wereld, ook met ‘alsof’-spelletjes: alsof-drinken uit alsof-theekopjes, alsof-koken, alsof-telefoneren. Blijkbaar is onze verbeeldingskracht net zo’n evolutionair overgeërfde gadget als onze taal.

Iedereen begrijpt waarom: jager-verzamelaars die zich allerlei beren op de weg konden voorstellen en erover konden vertellen bij kampvuren, vergrootten hun overlevingskansen gigantisch. Dat we van nature bijna instinctief aangetrokken zijn tot verhalen, weet iedereen die weleens een theater vol kleuters heeft zien stilvallen.

Als een achttiende-eeuwer had geweten hoe de techniek ons van fysieke arbeid zou ontlasten, had hij gedacht dat wij nu zeeën van tijd hadden, en wij ons lanterfantend over konden geven aan geestelijke weelde.

In werkelijkheid zijn we gejaagder dan ooit. En onze aangeboren verbeeldingskracht wordt steeds meer de nauwe steeg van de doelmatigheid ingejaagd. Of we nu een probleem voor ons werk oplossen of in de supermarkt nadenken over het avondeten.

Romans stimuleren de vrije, nutteloze verbeelding, net als muziekstukken en schilderijen. Maar het onderwijs presenteert ze als objecten om op te ploeteren. Waar gáát het over? Wat probéért de auteur te zeggen? Het zijn informatiedragers om ‘in je eigen woorden’ samen te vatten. Dat is even absurd als een muziekstuk willen samenvatten. Esthetische ervaringen beginnen waar het navertellen ophoudt. Kunstwerken vertragen, het zijn ontsnappingscapsules uit onze prestatiemaatschappij.

Maar wat doen we? We verplichten leerlingen een vast aantal romans af te werken. We verplichten ze gejaagd door een rijksmuseum langs de schilderijen te schuiven die ons zelf al niets meer doen. Als kunst ons niet meer raakt, moeten we ons eens afvragen wat er met onze levens is gebeurd.

Nou, bijvoorbeeld dat we ons niet meer tien minuten kunnen concentreren. Zonder langdurige aandacht is kunst kansloos. Lesuren in vrije verbeelding: daar wilde ik in Arnhem voor pleiten. Eén uurtje per week in een wifi-loos lokaal. Je mag er lezen, luisteren en kijken wat je maar wilt, als je er maar in opgaat. Maar iets voorbij Driebergen viel er een boom op het spoor en stopten alle treinen, zodat ik die school nooit bereikte. Het pannenkoekenhuis tegenover het station zat stampvol. Ik telde twaalf mensen met een boek op tafel. Vijf tekenden of schreven. Iedereen was opgewekt. De storm had ons een ontsnappingscapsule ingedreven.

Christiaan Weijts schrijft op deze plek iedere vrijdag een column.
    • Christiaan Weijts