Recensie

Houvast in clichématige tijden

Bert Natter De vijfde roman van Bert Natter begint met een heftige terreuraanslag. Maar wat een lelijke clichés schrijft hij! Die blijken – of lijken? – onderdeel van een slim literair spel.

Foto Paul van der Steen

Een rammend busje, een explosie, gillende mensen, versplinterend glas, vliegende brokstukken, neerdalend gruis. Allemaal clichés – en daarom is een terroristische aanslag op het eerste gezicht eigenlijk niks voor de literatuur. Of laat ik het anders stellen, vragend: hoe kan een roman nog literatuur worden nadat er in het eerste hoofdstukken zo’n pathetisch busje over een marktplein gedenderd is, daar gemakzuchtig een gevel geramd heeft en er mensen bloedig omgekomen zijn?

Het kan – zo blijkt uit de vijfde roman van Bert Natter (1968), al duurt het even voor je daarvan overtuigd bent. Het begin van Ze zullen denken dat we engelen zijn, op een Nederlands stadsplein waar de zonnige dag ruw verstoord wordt, liegt er niet om. Hoofdpersoon Alfred maakt luttele minuten voor de aanslag kennis met ene Prunella, die op het terras bij hem aanschuift, en dan explodeert er dus van alles en trekt hij haar mee naar de grond en redt zo haar leven. ‘Jullie brengen dood in onze straten, wij brengen dood in jullie straten’, hoort hij de terrorist zeggen. Er hupt, nota bene ‘parmantig’, een duif rond, die vleugellam probeert op te fladderen. En dit is wat Alfred vanonder het terrastafeltje waarneemt: ‘Lelieblanke sportschoenen met gouden strepen. Zo klein, ze lijken haast van een kind. Zo wit, ze lijken haast nieuw. Slanke enkels steken eruit: dit zijn de benen van het meisje dat ons heeft bediend.’

Wat een pathetiek! Wat lelijk! Dan vraag je je toch af wat Natter nu bezielt: hij is ook de schrijver die je in zijn laatste roman Goldberg (2015) meenam op een intellectuele speurtocht naar een ongrijpbaar verleden met een onbetrouwbare verteller, en daarvoor het puntgave Remington (2015) schreef – boeken die terecht door literaire jury’s zijn opgemerkt. Schrijft hij nu domweg een pathetische thriller, nee toch?

Ongewisse begeerte

Je blijft na dat heftige begin beduusd achter, gedesoriënteerd – net als de personages. Alfred, buschauffeur van gehandicapte kinderen, gaat met wat pleisters op zijn lijf gewoon naar huis en naar de buurtkroeg, pakt de draad op, maar blijkt toch getroffen. Al was het maar omdat de verstandhouding met Prunella, die terugkeert naar haar gezin maar die met hem de dood in de ogen keek, een vervolg behoeft. In de volgende dagen duiken de twee voor elkaars voordeur op, zonder duidelijk doel, maar aangeraakt door een ongewisse begeerte, een verlangen naar houvast.

Alfred vindt zelf dat het wel meevalt. Een zijige hulpverlener bespeelt hij door diens clichés na te papegaaien. Maar er is méér aan de hand, iets waarmee Natter opnieuw zijn schatplichtigheid aan het alles-is-chaos-credo van Willem Frederik Hermans onderstreept. Je gaat namelijk nattigheid voelen bij het groeiende aantal zinnetjes dat Alfreds waarnemingen bevraagt. ‘Ik zie andere dingen dan ik toen zag’, merkt hij op, als hij bij de politie camerabeelden van de aanslag bekijkt.

Zo wordt steeds duidelijker dat Ze zullen denken dat we engelen zijn niet alleen over een terreuraanslag of plots opbloeide gevoelens gaat, maar op een dieper niveau vertelt over het zoeken naar houvast – in clichématige tijden, zou je erbij kunnen zeggen. Wat brengt een aanslag nou werkelijk teweeg? Hoe verder, als er iets diep ontwortelends is gebeurd?

Ontregelend incident

Maar een simpele geëngageerde roman over dat vraagstuk is dit ook niet, niet alléén. Natter maakt serieus werk van het ontrafelen van de getraumatiseerde Alfred, die er ook nog een raadselachtig verleden met een overleden echtgenote op nahoudt. Dat we alles waarnemen door Alfreds ogen, die vertelt in de tegenwoordige tijd, is daarbij de crux – en dat is wat de roman ontegenzeggelijk literair maakt. Want zoals Alfred bij de aanslag zijn toevlucht nam tot clichés die lekker herkenbaar en behapbaar zijn, maar misschien niet betrouwbaar, zo luist hij zichzelf er vaker in. En ons evengoed – met als sterke climax een ontregelend incident in het gehandicaptenvervoer, die de roman in een stroomversnelling brengt. Wat daar nou precies gebeurt blijft prettig gissen.

Dat is mooi, want de roman had nogal wat in zich om een draak te worden: een verborgen verleden, plotse liefde, een traumatische aanslag. Voeg daarbij nog de clichés en pathetische bon mots: ‘Geluk is geen abstract begrip, het staat met tranen in haar ogen voor me.’ En wat te denken van Prunella’s merkwaardige definitie van engelen, als zij fantaseert dat men had kunnen denken dat ze engelen waren, als ze onder dat cafétafeltje dood aangetroffen werden? ‘Het zijn wezens die het goede willen en die tegelijk kwetsbaar zijn, omdat ze niet de macht hebben om het goede te doen.’ Moeten we aan zo’n statement waarde hechten?

Deels ben je bereid Natter zijn pathetiek niet kwalijk te nemen, omdat je kunt accepteren dat die een middel is om vooruit te wijzen naar Alfreds onbetrouwbaarheid. Of is dat al te welwillende overinterpretatie? Ze zullen denken dat we engelen zijn blijft rafelig – of je dat nu prettig vindt of niet.