Hoe een bliksembeveiliger wereldkampioen bowlen werd

Wereldkampioen bowlen Schiedammer Xander van Mazijk (26) werd eind vorig jaar in Las Vegas wereldkampioen bowlen. Hij was de eerste Nederlander ooit met de individuele wereldtitel in die sport. „Het was ook een beetje mazzel.”

Xander van Mazijk, hier bij Menken in Leiden: overdag bliksembeveiliger, ’s avonds bowler. Peter de Krom

Xander van Mazijk (26) knijpt een laatste keer stevig in zijn ‘gripzak’ waardoor zijn werphand bedekt wordt met een laagje talkpoeder. Dan neemt hij zijn startpositie in, zijn linkerbeen tegen het rechter geplakt, de afstand tot de zwarte foutlijn precies vastgesteld. Hij visualiseert de lijn die de bowlingbal moet gaan afleggen – einde aanloop via de pijlen op de baan in een banaanvorm richting kegel vier. Zijn ring- en middelvinger zoeken wroetend in de twee bovenste gaten van de bal naar controle, de duim zit strak in een op maat gemaakte dop. De bal rust in zijn linkerhandpalm om de werparm zo lang mogelijk te ontzien.

Hij vult zijn longen maximaal om ervoor te zorgen dat de worp daarna al uitademend kan verlopen. Dan is het lichaam het stabielst. Hij stapt uit met links, geruisloos sluipend als een katachtige in hoog gras. Het naar achter halen van de arm mag geen kracht kosten, dat moet het werk van de zwaartekracht zijn, tot de schouder op maximale spanning komt en de bal als vanzelf naar voren beweegt. De versnelling zit in de laatste drie passen, terwijl de bal richting enkel gaat. Op het laatste moment geeft Xander zijn bowlingbal een opdracht mee, onderbouwd met duizenden uren training. Als zijn vingertoppen branden, weet hij dat het goed zit.

De worp waarmee Xander van Mazijk zichzelf tot wereldkampioen kroont:

Zestig kunststofbanen naast elkaar

Drie dagen daarvoor wist Xander niet wat hij meemaakte toen hij in het ondergrondse bowlingcentrum van het South Point Hotel in Las Vegas zestig kunststofbanen naast elkaar zag glinsteren in wit tl-licht. In de enorme ruimte klonk als op een vasthangende plaat het geluid van omvallende kegels.

Voor Xander was Bowling Chandra in Schiedam al groot. Het zestien banen tellende nationaal trainingscentrum werd vorig jaar gesloten na een faillissement. Xander kwam terecht bij Menken in Leiden, waar hij traint tussen de recreanten. De tien banen aldaar zijn op een vrijdagavond niet voor de helft gevuld. Maar de uitbater draagt de sport een warm hart toe, heeft aan het bowlingcentrum vast een winkel waar Xander zijn ballen kan laten polijsten, het gewichtsblok in de bal kan hij laten uitlijnen en de duimdop kan hij laten aanpassen als zijn vingers na een dag werken als bliksembeveiliger op het Shell-terrein door de kou dunner zijn dan op warme dagen. Bij Menken snappen ze dat bowlen niet zomaar een spelletje is.

Maar bowling in Amerika is de overtreffende trap, het centrum van Las Vegas het summum. Xanders eerste training liep er op 23 november voor geen meter. Hij was moe van de lange reis, had geen focus en geen timing, voor hem de twee belangrijkste aspecten van de bowlingsport. En dus kroop hij vroeg in zijn bed, 21 verdiepingen hoger.

Uitgerust begon hij een dag later aan de officiële training. Na een paar worpen raakte hij vertrouwd met het oliepatroon dat in Las Vegas op de banen lag. Een week voor een toernooi maakt de organisatie zo’n patroon bekend. Op het WK ging het om de Beijing 39, waarbij het getal staat voor de plek waar de olie ophoudt en de baan stroever wordt. Op dat punt krijgt de bal grip en gaat het effect dat de bowler bij de afworp meegeeft een rol spelen – de bal trekt met een zwiep naar binnen. Dat moet perfect getimed worden, anders vallen de tien kegels niet in één keer om, of is de bowler afhankelijk van ‘een messenger’, een kegel die zijn buur in zijn val meeneemt.

Tijdens een wedstrijd verandert het patroon want de ballen zijn poreus en zuigen de olie op. Hoe stroever de baan wordt, hoe gladder de bal moet zijn. Bovendien is geen baan hetzelfde. De een loopt wat af richting de geulen, de ander bolt daar juist.

Oefenen in Las Vegas

Door al die variabelen was het oefenen geblazen daar in Las Vegas, tot er een plan van aanpak was ontstaan. Xander zou zijn voorrondes beginnen met de Storm IQ Tour Nano – een doffe bal – en gaandeweg zou hij switchen naar de gladdere Ebonite Cycloon, om eventueel af te sluiten met de gladste Storm IQ Tour, die als een boemerang reageert.

Op vrijdagmiddag was Xander er klaar voor. Hij kende het patroon, hij kende het materiaal. Op een of andere manier stroomde hij over van het zelfvertrouwen, terwijl zijn voorbereiding niet vlekkeloos was geweest, met een overbelaste pees in zijn hand als dieptepunt. Eigenlijk had hij helemaal niet op dit WK moeten staan.

In 2013 had Xander al eens geprobeerd de voorselectie van het WK te halen, maar dat was toen mislukt. Hij verloor er het plezier in zijn sport door. Hij worstelde met het mentale aspect van het bowlen, werd kwaad als hij een paar mindere beurten gooide. Dan sloeg hij op stoelen, woedend op zichzelf. Weg focus, einde wedstrijd.

Ideaal tempo: 26 kilometer per uur

Bij bowlingclub Westerpark Zoetermeer leerde hij zijn driften bedwingen. Daar bowlden jongens die al eens op een EK hadden gestaan. Als Xander zich in Zoetermeer liet gaan werd hij uit de uitslag geschrapt en stond hij in de wedstrijd wissel. Daar leerde hij van. Hij ziet nu aan de snelheid waarmee hij een bal gooit wanneer hij agressief is. Zijn ideale tempo is 26 kilometer per uur. Alles daarboven duidt op een naderende driftbui. Dan herhaalt hij in zijn hoofd: ‘Rustig ademen, rustig lopen, rustig gooien.’

In 2017 bowlde Xander zo constant – alle toernooien die hij deed eindigde hij in de finale – dat het de bondscoach begon op te vallen. Hij had opnieuw alle criteria voor het WK gemist, maar toch wilde Ron van den Bogaard hem in de nationale selectie hebben. „Hoe voel je je?”, wil een bowlingcoach dan weten. „Ik sta lekker te bowlen”, zei Xander. „Ik reageer goed op aanpassingen, ben stabiel.” Dat was genoeg voor de voorselectie.

Op het NK werd Xander tweede, op het EK in Wenen derde. Even daarvoor had de coach hem beloond met een wildcard voor het wereldkampioenschap. Een droom die uitkwam. Eindelijk zat hij in het Nederlands team. Wat konden ze hem nog maken? Vrij van verwachtingen trok hij naar de VS.

Aan de voorrondes deden 213 bowlers mee. In game één gooide hij 246 punten, in game twee 228 punten. Het ging maar door. Na zes games zag hij zijn naam bovenaan de lijst staan. Als hij foutjes maakte, gooide hij vaak evengoed een strike. Alles viel zijn kant op. Xander plaatste zich als eerste voor de finales van de volgende dag. „Het was ook een beetje mazzel.”

Zijn twee broertjes en zijn ouders waren ook in Las Vegas aangekomen. Dat zijn vader erbij was, maakt hem weken later nog aan het huilen. Hij was het die Xander vanaf zijn zevende naar wedstrijden reed. Geen training sloeg hij over. Twee jaar geleden werd pa ziek: prostaatkanker, nadien kreeg hij een stoma. Hij mocht niet vliegen. Totdat de dokter een paar weken voor het WK groen licht gaf. Die timing kon niet beter.

In de halve finale bowlde Xander tegen een Duitser, Tobias Börding. Halverwege de game maakte hij een beginnersfout door met zijn linkervoet over de foutlijn te glijden. Een harde zoemer ging door de zaal. In voorgaande jaren was Xander op zo’n moment mentaal geknakt. Maar nu gooide hij de game foutloos uit. Daarmee plaatste hij zich voor de finale van het WK, een half uur later.

Zijn tegenstander is Hao-Ming Wu uit Taipei, twee koppen kleiner dan Xander. Hij bedient zich van de helikopterbal, een techniek die veel Aziaten hanteren. Als Xander onderhands bowlt, doet Wu dat bovenhands.

Wissel van de Nano naar de Cycloon

Wu opent de finale beter, gooit strikes waar Xander puntjes morst. In frame zes, halverwege de finale, doet Xander iets radicaals: hij wisselt van bal, van de Nano naar de Cycloon, een risico. Testen gaat niet meer, elk foutje is fataal. Hij gooit een strike, en nog twee. Als Wu een ‘split’ gooit – links staan kegels, rechts ook – komt alles aan op frame tien. Nu een strike betekent de wereldtitel.

Xander loopt naar zijn Cycloon, poetst ’m zorgvuldig, reikt naar de gripzak en neemt zijn positie in. Hij wiebelt wat van links naar rechts, ademt diep in, visualiseert de weg die de bal af moet leggen. Een moment staat alles stil. Dan stapt hij uit met links, de versnelling, het standbeen staat kaarsrecht, en als hij de bal loslaat, branden zijn vingertoppen. Een schreeuw van ontlading. De werphand wordt een vuist. Hij is ’s werelds beste bowler.

Terug in Nederland dringt tot hem door wat hij geflikt heeft. Hij wordt gevraagd clinics te geven, opent nieuwe bowlingcentra. Bij wedstrijden wordt er anders naar hem gekeken. Daar wordt hij wel eens ongemakkelijk van, zegt hij. In theorie zou hij tonnen kunnen verdienen als prof in Amerika. Maar daar heeft hij geen behoefte aan. Het leven als fulltime bliksembeveiliger en parttime bowler bevalt hem prima. „Want ik ben maar gewoon Xander.”