Opinie

Duitse remedie voor nepnieuws is erger dan de kwaal

Overheden moeten de bestrijding van desinformatie niet uitbesteden aan internetbedrijven, schrijft

Beeld iStock

In Duitsland is een wet van kracht geworden met de fraaie naam Netzwerkdurchsetzungsgesetz, kortweg NetzDG. Die wet moet haatzaaien en nepnieuws op sociale netwerken tegengaan en verplicht internetbedrijven als Twitter, Facebook en Google om dit soort berichten te verwijderen op straffe van een boete van maximaal 50 miljoen euro. Het is een gevolg van de opvatting onder veel politici – ook in Nederland – dat internetbedrijven ‘hun verantwoordelijkheid moeten nemen’ in de strijd tegen desinformatie en aanstootgevende uitlatingen.

Dat roept de vraag op of dit een wenselijke ontwikkeling is. NRC wees er in een hoofdredactioneel commentaar terecht op dat de vrijheid van meningsuiting door deze wet onder druk komt te staan. Maar er is nog een ander fundamenteel probleem met deze wet.

Het draait om de vraag wie verantwoordelijk is voor het tegengaan van verspreiden van valse informatie, nepnieuws en haatzaaiende berichten. Zijn dat de platforms? Dat platforms de mogelijkheid hebben om content te wissen, betekent niet dat zij dat ook in alle gevallen moeten doen. En al helemaal niet dat ze verplicht moeten worden om zelfstandig een afweging te maken of content rechtmatig is. Toch is dat precies wat deze wet in Duitsland afdwingt. De platforms nemen logischerwijs het zekere voor het onzekere en verwijderen alles wat volgens de letter van de wet enigszins als haatzaaien aangemerkt zou kunnen worden.

Hiermee slaat de Duitse overheid volstrekt de verkeerde weg in. In een rechtsstaat behoort de onafhankelijke rechter te bepalen wat wel en wat niet maatschappelijk en juridisch aanvaardbaar is. Bovendien is het pure gemakzucht. Er zijn immers al wetten tegen haatzaaien of onrechtmatigheid, en om platforms te dwingen dat weg te halen. Maar blijkbaar vindt de Duitse overheid het te lastig om de eigen wetten te handhaven en schuift zij de taken van politie, OM en rechter liever af op het bedrijfsleven.

Ook voor een gezonde interneteconomie is het een onzalig plan. Aanbieders van internetdiensten behoren zich niet met de activiteiten van hun gebruikers te bemoeien. Dat is ook het uitgangspunt van het Europese e-commerce directive – dat zulke faciliterende bedrijven vrijwaart van aansprakelijkheid voor het doen en laten van hun klanten. Het is het fundament dat vrijheid van ondernemen, laagdrempelig innoveren en de vrijheid van meningsuiting borgt.

De nieuwe regels die zich nu richten op grote platforms, treffen ook start-ups en kleine bedrijven. Het is snel afgelopen met laagdrempelige innovatie als ook deze bedrijven juridische risico’s lopen als ze content laten staan of onterecht verwijderen. Alleen de grote bedrijven met gespecialiseerde afdelingen en juristen kunnen het zich dan nog permitteren om platforms in te richten waarop anderen content kunnen plaatsen.

Hoe moet het dan wel? Het bovenstaande neemt niet weg dat internetbedrijven zich ook rekenschap moeten geven van de negatieve effecten van hun activiteiten op de samenleving. Van hen mag worden gevraagd om mee te werken aan goede oplossingen en dat geldt zeker voor platforms die hun geld verdienen aan de content van hun gebruikers. Maar dat rechtvaardigt niet het besluit om de facto het e-commerce directive buiten werking te stellen, zoals de Duitse overheid heeft gedaan. Om censuur te voorkomen, moeten internetbedrijven voor het ingrijpen in de activiteiten van hun gebruikers kunnen vertrouwen op een onafhankelijk oordeel. In een rechtsstaat is dat de rechter.

Het is te begrijpen dat niet voor elk stukje omstreden tekst de gang naar de rechter kan worden gemaakt. Maar dan moet de overheid wel op de proppen komen met een aanvaardbaar alternatief. De overheid zal dan eerst zelf de criteria moeten opstellen waarmee bepaald kan worden wat nepnieuws en haatzaaien is. Dan moet ze een systematiek organiseren die signaleert waar dergelijke content op internet staat, en zorgen dat deze meldingen op de juiste plaats terechtkomen. Want als de overheid vindt dat platforms ongewenste uitingen kunnen detecteren, dan moet ze dat zelf ook kunnen. Onrechtmatige content kan vervolgens effectief worden bestreden met notice and takedown-procedures. Dat is een mechanisme dat in Nederland is ontwikkeld en goed past bij de neutrale rol van providers en platforms. Deze aanpak heeft zich in de praktijk al bewezen, onder meer in de aanpak van auteursrechtschendingen en bestrijding van frauduleuze websites. Op die manier krijgen internetbedrijven geen rol opgedrongen die ze niet past of ligt.

Slecht doordachte wetten zoals de NetzDG zagen niet alleen aan de stoelpoten van de rechtsstaat en zelfs de grondwet, maar getuigen ook van onvoorstelbare gemakzucht van de overheid. De NetzDG is als medicijn dan ook erger dan de kwaal, en het is te hopen dat de Nederlandse wetgever zich niet laat verleiden tot zulke onevenredig zware oplossingen voor een relatief beperkt probleem.