‘De geschiedenis uitvlakken helpt niemand’

Frankrijk

Controversiële straatnamen kun je beter niet veranderen, vindt de Franse essayist Karfa Diallo.

Karfa Diallo Foto Wiki CC

Toen in de VS afgelopen jaar beelden van zuidelijke helden uit de burgeroorlog van hun sokkel gingen, koos een belangengroep van zwarte Fransen zijn eigen historische vijand. En niet de minste: Jean-Baptiste Colbert, de minister van Lodewijk XIV die gezien wordt als succesvol grondlegger van het Franse staatsdirigisme. Maar Colbert was óók de man van de beruchte ‘Code noir’, het pakket regels voor slaven in het Franse koloniale rijk. Hij moest direct van zijn sokkel, vond de Conseil répresentatif des associations noires de France (Cran). Alle scholen in Frankrijk die zijn naam droegen – en dat zijn er nogal wat – moesten omgedoopt.

Op een afstandje, in Bordeaux, hoorde de Frans-Senegalese essayist Karfa Diallo (46) het hoofdschuddend aan. „Ja, Colbert heeft de Code noir opgesteld. Miljoenen slaven en hun nakomelingen zijn daarmee onderworpen”, zegt hij in zijn kantoortje middenin de stad. „Maar je kunt hem toch niet zomaar van de ene op de andere dag uit de geschiedenis verwijderen?” Zijn voorstel: op de scholen goed uitleggen wie Colbert was en, liefst, op een bordje van het gebouw hetzelfde doen. „Het is veel te comfortabel, veel te makkelijk om een onwelkom deel van je verleden weg te poetsen.”

Lees ook het interview over het slavernijverleden met cultuurhistoricus Roelof van Gelder: ‘Weggestopt is dit onderwerp al jaren niet meer’

Historische trauma’s

Diallo, met zijn panamahoed en Lumumba-bril in Bordeaux een bekende verschijning, geeft sinds 2012 rondleidingen over het slavernijverleden. Zijn persoonlijke parcours is nauw verweven met de Franse koloniale geschiedenis: hij groeide op in het Senegalese Thiaroye, waar tijdens de Tweede Wereldoorlog Senegalese soldaten van het Franse koloniale leger, de zogenoemde Tirailleurs Sénegalais, in opstand kwamen tegen hun arbeidsomstandigheden. Zijn vader vocht namens de Fransen in Algerije, maar zelf verhuisde Diallo halverwege de jaren negentig voor studie naar Bordeaux.

Met zijn organisatie Mémoires et Partages (en als lid van een gemeentelijke commissie) probeert hij duidelijk te maken hoezeer die stad geprofiteerd heeft van de zogenoemde ‘driehoekshandel’: reders brachten Franse producten naar Afrika, slaven van Afrika naar de Caraïben en onder andere suiker weer terug naar Bordeaux. Toen hij naar Frankrijk kwam, was die geschiedenis „nauwelijks bekend”, zegt hij, omdat ze „niet paste in de nationale roman”.

„Frankrijk heeft de neiging historische trauma’s te ontsmetten, steriel te maken. Of erger nog: ze te negeren. De collaboratie van Vichy heeft lang nauwelijks bestaan, iedereen was verzetsheld. Zo ging het ook bij de slavernij. Het land hield vooral de rol van de Revolutie bij de afschaffing levendig. Dat werd in 1998, 150 jaar na dato, groots gevierd. Mensen wisten dat Frankrijk, land van de mensenrechten, de slaven had bevrijd. Geweldig! Dat het ook van die slavenhandel geprofiteerd heeft en dat slaven met hun verzet zelf ook aan die mensenrechten bijdroegen, paste niet in het plaatje. Dat moesten we bijstellen.”

De wandelingen met scholieren, gepensioneerden en (regelmatig zwarte Amerikaanse) toeristen voeren bijvoorbeeld langs het Fort du Hâ, waar in de achttiende eeuw zwarten werden „opgeslagen”. Of langs oude gebouwen met zogenoemde ‘mascarons’, afbeeldingen van hoofdjes op de gevels. Enkelen daarvan zijn duidelijk van Afrikanen: „Die neuzen en lippen laten zien dat in Bordeaux al vroeg zwarte mensen aanwezig waren”, zegt hij. En hij wijst op straatnamen, vernoemd naar slavenhandelaars, liefst 22. „Nantes speelde een grotere rol in de traite négrière, maar nergens zijn meer straten naar handelaars vernoemd dan in Bordeaux.”

Maar moeten die straten omgedoopt, zoals onder meer de Cran wil?

„Nee, absoluut niet”, zegt Diallo stellig. Hoewel zijn organisatie daar ooit wél voor pleitte is hij tot ander inzicht gekomen. „Je kunt niet helemaal niets doen”, zegt hij. In 2001 besloot het Franse parlement dat slavenhandel en slavernij „misdaden tegen de menselijkheid” waren. „Dat betekent dat je straten hebt die naar huidige maatstaven namen van misdadigers dragen. Dat moet je in een toelichting bij het naambordje laten weten. Doop je de straat om, dan verwijder je ook zijn geschiedenis.”

Dat de gemeente Parijs in september besloot een gevelbord uit de 19de eeuw aan Rue Mouffetard met de tekst ‘Au Nègre joyeux’ (in de vrolijke neger) naar een museum te brengen, is volgens Diallo evengoed verkeerd. „Een museum”, zegt hij plukkend aan zijn baardje, „ is geen democratische ruimte. Niet iedereen bezoekt dat. Geschiedenis moet deel zijn van de publieke ruimte. We wonen in de geschiedenis. Mensen moeten zich kunnen informeren, opdat niemand vergeet hoe complex een stad en een volk kunnen zijn.”

Hij gaat daarin ver: geen enkele straatnaam moet veranderd. „Na de bevrijding zijn namen van collaborateurs als maarschalk Pétain uitgewist. Maar heeft dat een eind gemaakt aan racisme of antisemitisme? Voor mijn part zijn er straten vernoemd naar Himmler, als je het maar uitlegt.” Ook hierin staat Diallo recht tegenover belangengroep Cran. „Natuurlijk was ook ik geschokt toen ik ontdekte dat straten naar slavenhandelaars vernoemd waren”, zegt hij. „Maar je moet iets met die emotie. Ongemakkelijke geschiedenis uitvlakken helpt niemand.”